maandag 31 januari 2011

Mama ik lijk steeds meer op jou


Vorige week zagen we hoe Ali B. in zijn programma Op Volle Toeren op bezoek ging bij Stef Bos. Ali had deze keer de rapper Negative meegenomen. In dit programma maken Ali B. en zijn gast een versie van het nummer van de artiest die ze bezoeken en andersom bewerkt de artiest een nummer van de rapper. Zo zag ik eerder al een aflevering met Lenny Kuhr (een succes) en eentje met Ben Kramer (geen succes). Deze keer was dat het nummer Papa van Stef Bos aan de beurt. En dat was zondermeer een succes. De rappers waren diep onder de indruk van het liedje. Vrij naar Ali: "Dit is zo ongelofelijk mooi. Als mijn zoon zoiets voor mij zou maken, dan zou ik klaar zijn om te gaan." Ali was, net als Negative, diep onder de indruk. De reactie van de vader van Stef was iets onderkoelder dan die van Ali: "Je hebt het geschreven zoals het tussen ons is jongen.", was zijn reactie. "Dat betekent dat hij het mooi vond", aldus Stef. En het is natuurlijk ook een erg mooi liedje.

Voor mij geldt dat ik op mijn moeder lijk. En ja, ik zou ook kunnen zeggen: Mama, ik lijk steeds meer op jou, want met de jaren wordt dat steeds duidelijker. Met dit verschil: het is niet zo dat ik uiterlijk sprekend op mijn moeder lijk. Natuurlijk: we hebben hetzelfde type lichaam met veel dezelfde mankementen, maar het gebeurt niet vaak dat er op basis van uiterlijke gelijkenis wordt gezegd dat we veel op elkaar lijken. Het is meer onze manier van doen en onze mentale make up die maakt dat we veel op elkaar lijken. Vorige week was ik aan het opruimen. Vanaf een zekere afstand mik ik spullen in een mandje. Een van de kinderen komt binnen. "Zo zou oma Moeke dat ook doen." Dat klopt. Onze materiaalhantering is robuust, zal ik maar zeggen. We kunnen heftig reageren op oneerlijkheid. We kunnen kortaf en abrupt zijn in onze reacties – we zijn 'kort voor de kop'. Ik snap dan precies hoe mijn moeder ergens in staat en voel haar verontwaardiging. We kiezen niet voor de gulden middenweg, maar nemen altijd stelling. We vinden iets goed of fout. Vaak versterken we elkaar in onze reacties. Daar is een dimensie bijgekomen toen ik moeder werd, want ik denk dat ik ook als moeder veel op mijn moeder lijk.

In het Gronings heb je hier maar twee woorden voor nodig: net moeke.

vrijdag 28 januari 2011

t Is aal wat


Vanmiddag tref ik in de super onverwacht mijn afstudeerpartner van 25 jaar geleden. We deden samen onderzoek en schreven samen onze afstudeerscriptie. Ik heb haar nadien nog wel eens gezien, maar het is denk ik wel 20 jaar geleden dat ik haar zag. Haar moeder woont hier en die is nu zo oud dat ze wel een beetje ondersteuning kan gebruiken. Vandaar.

We raken gemakkelijk weer met elkaar in gesprek. Natuurlijk gaat het ook even over vroeger. "Had jij dat vroeger nou gedacht?", zegt ze. "Nait aal over vrouger proaten. Doar komt gain gouds van." Een kleine iele oude vrouw kijkt ons aan. Het kleine bosje haar dat haar nog rest, heeft ze in een staartje gebonden. De sleutel aan de knalgele keycord verschaft haar straks weer toegang tot haar woning. Wij staan in de hoek bij de gesneden groente. Ze stelt zich zo op dat we er niet langs kunnen. "Nee zo mooi was dat nait hur, vrouger. Veur televisie ook. Aal over oorlog. Nou zo mooi ist nait as je de oorlog mitmoakt hebben. Dat mouten ze nait weer opreukeln. Komt niks gain gouds van. Dat is west." We hummen begrijpend met haar mee. Misschien was dat niet echt een verstandige keuze. Het ene onderwerp na het andere volgt namelijk. "Je zain veul te veul op televisie. Aal dij minsen dij stroat op goan mit spandouken. Hierzoot." Ze wijst op haar voorhoofd. "En dij zwaarten. Ze zeggen wel dat ze t veul minder hebben as wie, mor dat is nait meer zo hur. Niks van woar." "Nou, er zijn toch echt wel landen waar ze het veel minder hebben dan wij hier.", werpen wij tegen. Dat is niet de bedoeling. Ze luistert er niet naar en snijdt het volgende onderwerp aan. "En schaaiden. Elk gait mor schaaiden. Dat is toch ook n schandoal?" "Nou wie binnen nait van plan om te schaaiden", stel ik haar gerust. "Ik bin zulf wel schaaiden", zegt ze tot onze verrassing. "Mor toun wazzen wie al wel 18 joar bie mekoar west." En zo gaat het verder. Ze vertelt nog dat ze daarna een man heeft getroffen met wie ze tot aan zijn dood 30 jaar heeft samengewoond. "Gain botterbraifke meer hur, naargens veur neudeg." Wij begrijpen dat het gesprek niet weer over gaat als we niet zelf even ingrijpen. "Wie proaten nog even mit zien baaident verder as joe t goud vinden", zeg ik. Ze rolt haar kar langzaam vooruit, maar draait zich dan weer om en pruttelt nog wat na over allerlei schandalige kwesties.

De groenteboer geeft me een veelbetekenende glimlach. Hij kent zijn pappenheimers. In het Gronings kun je het hele verhaal in vier woorden kernachtig samenvatten: t Is aal wat.

woensdag 26 januari 2011

In een testpanel


Ik zit in een panel voor productbeoordeling. Ooit werd ik ervoor gerecruteerd door een oudere dame in het winkelcentrum. En nu krijg ik van tijd tot tijd een enquête toegestuurd waarin mijn mening wordt gevraagd over een nieuw product of een voorgenomen actie. Vandaag kreeg ik weer een enquête toegestuurd. Ik beoordeelde een bakmix voor caramelmuffins, een potje roomsaus, een zakje borrelnoten en een glasreiniger. Van alle producten moest ik deze keer aangeven of ik het zou kopen, hoe vaak ik het zou kopen, of ik de prijs redelijk vind en in een vrije ruimte mag ik dan aangeven waarom ik het product wel of niet zou kopen. Ik vind het ontzettend leuk om te doen. Door al die vragen word ik me namelijk bewust van mijn eigen eigenaardige koopgedrag. Zo zou ik -als ik al roomsaus zou willen- het potje dus nooit kopen. Ik zou liever een mixje uit een zakje gebruiken en dat aanlengen met water. Dan heb ik het gevoel dat ik het nog een beetje in de hand heb. Ik associeer de roomsaus in een blik met vet, chemisch en onsmakelijk. Een potje tomatensaus in glas neem ik daarentegen zonder problemen mee. Geen enkele aanvechting om zelf tomatensaus te gaan maken. Ook de glasreiniger zou ik niet aanschaffen, ik gebruik gewoon een mixje van spiritus en afwasmiddel. Geen speciaal schoonmaakmiddel dus, terwijl ik wel dol ben op speciale schoonmaakattributen. De overeenkomst met de roomsaus is dat ik ook hier weer even zelf iets moet mixen. Het is allebei niet echt veel werk, maar ik doe toch een klein beetje zelf. Dat spreekt me dan ook weer aan bij de muffinmix, die ik niet echt vaak zou kopen. Misschien een keertje, om samen met de jongste te maken, maar voor consumenten zoals ik hoeven ze dit product echt niet in de markt zetten. Maar ook hier spreekt het minimale beetje zelfwerkzaamheid mij aan. En de borrelnoten, ja die lust ik wel- ook al ben ik ook hier geen heavy user. Ook hier de kans niet groot dat ik ze zal kopen; misschien als het heftig in de aanbieding is. Bij borrelnoten ga ik namelijk altijd voor de euroknallers van Super de Boer.

Tja, en wat leer ik hier nou van? Ik ben niet snel te verleiden tot dit soort nieuwe aankopen- bij al die enquêtes ben ik meer of minder geïnteresseerd, maar ik geef bijna altijd aan dat ik het niet of bijna nooit zou kopen. Het is allemaal niet echt groots en meeslepend, maar ik heb er wel enorm veel lol in!

maandag 24 januari 2011

Tientjestip


Ik hou van schone wasbakken. Het liefst heb ik ze een beetje blinkend. Die passie wordt hier in huis helaas niet door iedereen gedeeld. De kinderen -sommige meer dan andere- hebben eerder een passie voor het bevuilen van de wasbakken. Tandpasta wordt met grote klodders in de wasbak gespuugd. Naspoelen gebeurt spaarzaam. Wel weer goed voor hun groene voetafdruk natuurlijk, want waterverspilling is er dus niet bij. Ik word echter niet vrolijk van al die tandpastaresten in de wasbakken. Eén van de dingen die ik al leerde toen ik nog maar pas moeder was, is dat je ergeren niets oplost. Sommige zaken stuur je bij, bij andere lukt dat veel minder. Je moet je strijd uitzoeken en voor andere zaken gewoon naar een oplossing zoeken. En die vond ik! Het viel me namelijk op dat die klodders wel heel gemakkelijk bleven hangen. Door al die antikalkmiddelen was het oppervlakte blijkbaar stroef geworden. Zou het niet veel handiger zijn als die klodders helemaal geen vat op de wasbak zouden krijgen? Ik bedacht er het volgende op: ik kocht een fles autoshampoo met wax en maak daar tegenwoordig de wasbak mee schoon. Het gevolg: blinkend schoon en glad als een spiegel. Klodders tandpasta glijden vanzelf het putje in. Ik was bijna in de verleiding om 'm naar de Mijn Sjumbo te sturen. Het lijkt me toch zeker een tientjestip.

vrijdag 21 januari 2011

Een mindere dag


Na drie weken ben ik weer terug bij af. Stapje voor stapje ging het beter met de rugklachten de afgelopen drie weken. Onder het motto 'rust roest' pakte ik deze week dan ook al mijn sportactiviteiten weer op. Mijn zus keek me dinsdag op Zumba nog bedenkelijk aan toen ik enthousiast op de samba heen en weer sprong. Maar ik voelde me geweldig, dus ik lachte breed terug. Gisteren had ik een mindere dag, tenminste zo keek ik er toen tegenaan. Ondanks dat het een mindere dag was, ging ik gisteravond wel aquajoggen. Daar kan het tenslotte ook weer beter van worden. Vanmorgen leek gisteren echter met terugwerkende kracht helemaal niet zo'n slechte dag. Vandaag is een mindere dag. Ik kan helemaal geen druk zetten op mijn rechterbeen. Het resultaat is een soort hobbelloopje dat wel heel erg doet denken aan de manke tred van mijn oma. Ik hobbel vanmorgen vroeg door het huis, lig dan weer even gestrekt en zeg tegen E: "Ik ga nog even op de bank liggen en dan ga ik straks boodschappen halen." Ik ga altijd uit van een miraculeus herstel. "Ben je nou helemaal gek geworden?", zegt E. "Je snapt toch zelf ook wel dat dat zo niet gaat. Ik ga mee."

E. heeft gelijk, het gaat helemaal niet. Ik besluit de dokter direct maar even te bellen voor spierontspanners. Liever gebruik ik ze niet, maar zo af en toe zijn ze nodig. Dit is zo'n moment dat het nodig is. Om tien over acht hang ik al aan de telefoon. Het is druk en ik moet even wachten. Na een poosje wachten is er dan toch een assistente aan de telefoon. Het is een mij onbekende assistente. Toen de oude huisarts met pensioen ging, zijn er ook een aantal assisstentes verdwenen. Dus nu zijn het voornamelijk onbekenden met wie ik zaken doe, vooral ook omdat ik eigenlijk bijna nooit naar de huisarts ga. Ik vertel mijn verhaal aan de assistente en vraag of E. even een doosje spierontspanners kan halen van de apotheek. "Ik heb ze al eerder gehad", vertel ik. "Daar kunt u de receptenlijn voor bellen", zegt ze. Ik had er geen idee van dat er zoiets als een receptenlijn was. "Maar dan belt u te laat voor het weekend.", zegt ze. Ik spring bijna uit mijn vel. "Hoezo te laat? Het is tien over acht!" "Ja, dat moet een dag van tevoren.", zegt ze. Ja, zou het niet handig zijn als je ziekte ook even in kon plannen? "Maak maar een afspraak met de dokter dan", zeg ik. "Ik heb ze namelijk vandaag nodig." Ik ben absoluut niet van plan om op te hangen. "Wat is uw geboortedatum?" Ze kijkt toch maar even in mijn dossier. "Het is meer dan twee jaar geleden dat dat is voorgeschreven. Dat kan ik u niet zomaar verstrekken. Ik kan niets voor u doen.", zegt ze. "Hoe gaan we het dan doen?", vraag ik. Ze zal het met de dokter overleggen en ik mag om half twaalf terugbellen. Ze vindt me erg lastig, zoveel is wel duidelijk. Als ik de telefoon heb neergelegd, zit ik verbijsterd voor me uit te kijken. Naar de dokter bel je tenslotte voor hulp en hulpverlening leek in het woordenboek van deze assistente echt niet voor te komen. Ze behandelde me of ik haar maar een beetje van het werk hield, terwijl ze bezig was met haar werk!

Als ik om half twaalf terugbel, krijg ik een andere assistente aan de telefoon. E. kan de spierontspanners gaan halen. Ik heb besloten om direct maar aan te geven dat ik het heel vervelend heb gevonden, zoals ik te woord werd gestaan. "Dat komt denk ik omdat ze dacht dat het om een standaard herhalingsrecept ging", verontschuldigt ze haar collega. Ik begrijp het niet helemaal. "Ja, maar ik vroeg naar spierontspanners en het lijkt me toch niet dat dat zomaar op herhaling kan", zeg ik. "Jawel hoor, dat gebeurt heel veel", vertelt de andere assistente. Ik ben stomverbaasd. Gek genoeg werkt het dus niet in mijn voordeel dat ik spaarzaam medicijnen slik- ik moet gewoon doorslikken, dan kan ik ze zo ophalen…

donderdag 20 januari 2011

Nog leuker dan de baas


Vanmiddag bespraken we op het werk de uitslagen van het medewerkerstevredenheidsonderzoek. We scoren meestal boven het gemiddelde in de organisatie. En dat is ook deze keer het geval. We zijn betrokken, loyaal, werken hard en gaan met plezier naar het werk. Een droomuitslag voor een baas natuurlijk. We zitten bij elkaar om te kijken wat we kunnen verbeteren. Categorie voor categorie bespreken we de score.

Ook de collega's en de baas worden beoordeeld. De baas heeft een geweldig rapport. Op het contact met zijn medewerkers scoort hij maar liefst een 8.8. Daarmee laat hij ongetwijfeld veel -zo niet alle- leidinggevenden in het bedrijf achter zich. Ook vinden we onze collega's heel aardig. Tot een van de collega's opmerkt: "We vinden elkaar minder aardig dan de baas." Dat hadden we geen van allen gezien. Misschien is dat iets om aan te werken; dat wordt ook een doelstelling voor het volgende medewerkerstevredenheidsonderzoek. Als ik vanmiddag naar huis ga, loop ik nog even bij de collega's langs. Ik investeer alvast en dat blijft niet onopgemerkt. Collega denkt dat het wel gaat lukken als we zo doorgaan. Bij de volgende ronde vinden we elkaar misschien nog wel leuker dan de baas.

woensdag 19 januari 2011

De uitvinding van het bestek


Dit jaar word ik vijftig. Het zegt me niet zoveel. Ik weet dat ik niet piepjong meer ben, maar ik voel me nog best wel jong. Niet jong in de zin van 'ik draag nog een naveltruitje'. Er zijn grenzen en die tijd is geweest. Ik weet nog goed dat ik voor het eerst aangesproken werd met mevrouw. Dat overviel me: ik voelde me geen echte mevrouw. Nog voel ik me eigenlijk geen mevrouw, maar ik weet inmiddels wel dat er zo tegen me wordt aangekeken. Zo zal het wel blijven. Ik herinner me tenminste dat mijn moeder nog niet zo lang geleden diep verontwaardigd was dat er iemand voor haar ging staan in de stadsbus. Zo oud was ze toch nog niet?

Als je kinderen hebt, ben je je er zeer van bewust dat je tot een andere generatie behoort. Mijn kinderen doen er ook alles aan om die bewustwording te voeden, bewust en onbewust. Vanmiddag gebeurde het nog. De jongste leest in een boek over schoolkinderen over de hele wereld. Ze bekijkt het geïnteresseerd. "Zeg mam, toen jij vroeger klein was, toen was er toch al wel bestek?" Ik stel haar gerust en zoek de uitvinding van het bestek nog even op. Ik vind het volgende op www.ibi.bibliotheek.nl: Reeds in de vroege middeleeuwen kwamen mes en lepel (van hout, later van tin) voor; de vork kwam pas in de 17de eeuw algemeen in gebruik.

zondag 16 januari 2011

Er is geen weg


Dit weekend las ik het boek Ik overleefde voor mijn kind van Clara Rojas. Zij werd samen met Ingrid Betancourt gevangen genomen door FARC rebellen en leefde jarenlang in het Colombiaanse oerwoud. In dat oerwoud kreeg ze een kind. Ingrediënten voor een grensverleggend boek, maar dat was het niet. Het verhaal bleef heel erg aan de oppervlakte. Niets wordt echt uitgediept. De relatie met Betancourt staat al snel onder spanning, maar waarom dat nou eigenlijk is, weet je niet. Ze krijgt een zoon in gevangenschap. Over de omstandigheden van de verwekking vertelt ze helemaal niets. En zo gaat het eigenlijk voortdurend. Het enige waar ze echt over uitwijdt is de routine die ze zichzelf oplegt in de jungle. Zo blijft ze fysiek en mentaal fit. Maar als je dat een aantal keren gelezen hebt, dan weet je het wel. Het voelt een beetje alsof ze het verhaal eigenlijk niet wil vertellen. Ik had de neiging het boek aan de kant te leggen. Collega zei vorige week nog, toen ik vertelde over de worsteling met het boek De Daisy Sisters van Henning Mankell: "Dan heb je het boek teveel kans gegeven." Ik heb dit boek toch uitgelezen. Mooie zinnen hier en daar hielden me gaande, zoals deze van Joan Manuel Serrat: Reiziger er is geen weg, de weg ontstaat door te reizen, klap na klap, kus na kus.

Het verhaal van Clara Rojas is absoluut een indrukwekkend verhaal, maar het boek is dat niet.

zaterdag 15 januari 2011

Misplaatste vragen


Een vraag stellen is zo eenvoudig nog niet. Niets pijnlijker dan een misplaatste vraag. Een vraag veronderstelt interesse in iets of iemand en moet passen binnen de ongeschreven regels van de situatie. Een vraag roept verwachtingen op bij degene aan wie de vraag wordt gesteld. Als niet aan die verwachtingen wordt voldaan, volgt teleurstelling. Dat kan teleurstelling over de kwaliteit van de vraag zijn bijvoorbeeld. De interesse die iemand in je heeft, kan van het soort zijn waar je niet van gediend bent. Of het is oppervlakkige interesse. Ik zag deze week op televisie twee misplaatste vragen voorbij komen.

De eerste kwam zondagavond voorbij. We zaten gekluisterd aan de buis voor Boer zoekt vrouw. Boerin Annemarie had zelf een vragenspel bedacht voor haar drie boeren. Ze wilde de boeren beter leren kennen. Een van de boeren mocht de gewetensvraag: kroket of frikandel? beantwoorden. Boer Johannes kreeg de volgende dieptevraag voorgeschoteld: roodbont of zwartbont? Toen boer Johannes even terzijde werd genomen door Yvon Jaspers, verborg hij zijn teleurstelling niet. "Ik had iets andere vragen verwacht". Als potentiële levenspartner had Johannes terecht verwacht dat het iets persoonlijker zou worden.

Een ander voorbeeld zag ik bij de omroep MAX. Door aanhoudende rugklachten zie ik nu op voor mij ongebruikelijke tijdstippen van alles voorbij komen. Liggend op mijn rug op de bank, zag ik Anne Wil Blankers aan het eind van de middag aanschuiven bij Tijd voor Max. De presentatoren vertellen haar dat de gast van de vorige dag, Clark Accord, een vraag voor Anne Wil had achtergelaten. Anne Wil reageert blij verrast op de interesse van de auteur. Groot is dan ook de anticlimax en zichtbaar is de teleurstelling als de presentatoren de vraag stellen: "Hoe komt het dat u er nog altijd zo goed uitziet?" Anne Wil Blankers was aangeschoven als actrice van karakterrollen en verwachtte een vraag die iets met haar vak te maken had. Deze clichévraag voor de oudere vrouw over uiterlijkheden had ze duidelijk niet verwacht.

Pijnlijk om te zien die misplaatste vragen…

vrijdag 14 januari 2011

Babyfotoblik


Gisteravond gaf onze oudste een presentatie over haar profielwerkstuk. Dat deed ze fantastisch. Ik was trots en E. natuurlijk ook. Uiteraard waren we niet de enige trotse ouders. Een moeder verderop keek stralend naar haar zoon. Thuis hebben we het erover. "Ze keek echt zo van: hij heeft bij mamma in de buik gezeten", zeg ik. "Oh zo kijk jij ook hoor", zegt de oudste. Later kijk ik nog even naar haar. "Hou op zo naar mij te kijken." "Hoe bedoel je?", vraagt ze. "Alsof je naar een babyfoto van me kijkt."

donderdag 13 januari 2011

Ontroering


Op weg naar de deur loop ik door het halletje. Daar zit hij te wachten. Hij kent me bij mijn naam en ik hem ook. Zo lang lopen we al rond op hetzelfde terrein, ook al is dat onder volstrekt andere omstandigheden. Er zijn dagen dat hij me heel vriendelijk groet en soms zelfs een praatje maakt. Er zijn ook dagen dat hij me niet ziet, volkomen in beslag genomen door zijn eigen gedachten en gevoelens. Het is altijd maar afwachten. "Hoe is het met je?", vraagt hij. Met mij gaat het goed. "En met jou?", vraag ik. Het gaat met hem niet zo goed. Zijn lichaam laat hem een beetje in de steek. Hij zit op een stoel, terwijl ik sta. Hij kijkt schuin omhoog, voorzichtig. Doekneks, zou je in het Gronings zeggen. "Mijn gewrichten groeien vast en ik word krom." Dat proces is al een poosje gaande. Het lijkt of het verdriet waaronder hij altijd gebukt gaat, letterlijk op hem drukt. "En dan al die psychosociale problemen, de eenzaamheid…Ik zou hier zo graag wonen", zegt hij. Hij stond bovenaan de wachtlijst, maar nu is hij om onduidelijke redenen weer naar onderen geplaatst. "Het ligt niet aan de dokters", zegt hij, "die doen hun best." Hij verwijt het indicatiecommissies en de zorgverzekeraar. "Gelukkig heb ik veel steun van de verpleging hier." Als om mij daarvan te overtuigen: "Laatst was ik in de tuin aan het werk en ik moest ineens huilen. De tranen stroomden over mijn wangen, ik kon niet stoppen. Toen kwam er iemand van de verpleging naar buiten en die veegde mijn tranen van mijn wangen met haar eigen handen. Met haar eigen handen…Waar vind je dat nog tegenwoordig… Waar vind je dat nog?" Hij kijkt me vragend aan. Ontroerend.

woensdag 12 januari 2011

Sjiebèm, Sjieboem


"Ik weet wel waarom jij sh'bam (spreek uit als sjiebèm) vindt klinken als iets wat je niet in een publieke ruimte met anderen doet", zegt mijn zus. We zitten na onze Zumba/sh'bam-les bij ons op de bank. E. heeft ons een kop koffie ingeschonken en we evalueren de les. "Het doet je denken aan Sjieboem." Ze heeft gelijk. Een dorpsgenoot met een luidruchtige vrolijke dronk over zich zong altijd: "Sjieboem, Sjieboem, en de vraauwluu worden nait doen."* Daarna volgde er dan nog een seksueel getinte regel die een wel heel bijzondere voorkeur verraadde. Ik zal er niet veel over zeggen, behalve dit: hij bleef begrijpelijkerwijs vrijgezel. Meestal ging hij na een vrolijke drinkpartij naar huis en zette dan de frituur aan met een aantal keukenbrandjes tot gevolg. Want als de frituur eenmaal aanstond, viel hij in slaap. Na een aantal van dit soort akkefietjes heeft hij het drinken afgezworen. Tegenwoordig zien we hem eigenlijk niet meer. Hij heeft zich teruggetrokken uit het dorpsleven.

dinsdag 11 januari 2011

Sh'bam


Ik zit al enige tijd op Zumba. Wie niet, zou je bijna zeggen. Maar eerlijk is eerlijk, het is ook geen wonder. Het is heerlijk om te doen. Bewegen gaat toch een stuk makkelijker op muziek. En ik ben wel van het dansen, dus zumba is het helemaal.

Vanavond waren we er weer helemaal klaar voor. Na mijn lichte sportmaaltijd pikken mijn zus en haar dochter me op. Ik dender een kleedkamer binnen waar allemaal jongemannen bezig zijn zich te verkleden. "Hier hadden we toch zumba?", vraag ik aan mijn zus. Een horde dames komt voorbij en licht het toe: "Dat was alleen tussen kerst en oud en nieuw. Nu zitten we weer in de zaal achter." Aanvankelijk hadden we een hele hal tot onze beschikking. Dat vond ik het fijnst. Ik hou wel van een beetje bewegingsvrijheid. Maar daar wordt in de winter gehockeyd of gezaalvoetbald.

Wij stellen ons op achterin de zaal. Voor in de zaal staan de dames die dag in dag uit in de sportschool rondhangen. Zij dragen allemaal gelijke broeken – zwarte of gekleurde broeken met gekleurde knopen erop en loshangende bretels. Het ziet er levensgevaarlijk uit. Voor mij zou dat het in ieder geval wel zijn; ik zou vast met een been in zo'n bretel blijven hangen.

Deze zaal is zo klein dat ik er een aantal weken geleden in botsing kwam met een van de twee mannen op zumba. Twee maal botste hij tegen mijn voluptueuze lichaam aan, of ik tegen hem -dat kan ook natuurlijk. Sindsdien heb ik een uitstekend contact met hem. Drie weken geleden suggereerde hij nog dat ik maar even voor de groep moest gaan staan om het voor te doen (!?!?!). Kijk, dan wil je echt contact.

Vandaag loopt het niet lekker met de muziek; of er moet een nieuwe cd of een nieuwe stereo worden aangeschaft. De botsman denkt dat het aan het apparaat ligt. Hij vertelt het me terwijl hij zijn voorhoofd met een handdoekje dept. De trilling van de vloer kan het apparaat ook nog van streek maken, oppert hij verder. We weten het niet, maar duidelijk is dat het niet lukt met het zumbamuziekje. Na een half uur zegt de trainster: "Nou dan doen we maar sh'bam." De afgelopen weken gaat het voortdurend over sh'bam. Dat zal de nieuwe rage wel weer zijn. Tot nu toe had ik het nog nooit gedaan, want het klinkt niet als iets wat je in een publieke ruimte met meer mensen zou willen doen. Maar vandaag moeten we er dan toch aan geloven. Ook leuk!

zondag 9 januari 2011

Geduld oefenen


"Als jij dood gaat, dan ga ik een hele speech houden", zegt de jongste. Ik ben benieuwd. "Wat ga je dan vertellen?", vraag ik. "Ik ga zeggen dat het leuk met je was in goede en in slechte tijden." Gezien de situatie en de dreigende toon waarop ze een en ander zegt, zal dat niet alles zijn. "Maar ik ga ook zeggen dat er ook dingen waren die je best had kunnen verbeteren." Ze doelt op mijn ongeduld. Ik ben bezig haar te overhoren en ze stelt mijn geduld -waarvan mij inderdaad weinig is toebedeeld- tot het uiterste op de proef. Ze moet de Griekse goden leren en dat lijkt maar niet door te dringen. Ze heeft de neiging om zich te laten afleiden door een stofwolkje dat neerdwarrelt. Wat haar interesseert onthoudt ze wel. Zo kon ze lange tijd naar aanleiding van een spreekbeurt in klas 6 van de basisschool tot tien tellen in het Koreaans. De verhalen van de Griekse goden kan ze wel vertellen: dat de Grieken hun doden muntjes op de ogen legden om de overtocht over de rivier naar de onderwereld te bekostigen. Maar dat de god die daarbij hoort Hades is, lijkt maar niet door te dringen. Zelfs niet als ik zeg: "De god van de onderwereld is Hades", en haar dan direct vraag: "Wie was ook nog maar de god van de onderwereld?", dan kijkt ze me niet-begrijpend aan. Ik val uit, ook al is dat niet erg pedagogisch: "Als ik zeg: je mag drie koekjes pakken en ik vraag je direct daarna: hoeveel koekjes mocht je ook alweer pakken? Dan weet jij best dat het er drie zijn", zeg ik. "Hoe kan het dat je dit niet onthoudt?" Ze weet het zelf ook niet en ze baalt ervan. We laten het even rusten, oefenen later nog en dan ineens -met een paar ezelsbruggetjes erbij- kent ze ze. Hopen dat ze het als ze morgen wakker wordt, ook nog weet.

zaterdag 8 januari 2011

Nutty of brainy?


Ooit kreeg ik de oude brommer van mijn jongste oom. Het was een rode Puch die werd geleverd met een bepaald niet-bijpassende lichtblauwe helm. Alhoewel ik aanvankelijk niet direct 'ja' tegen de brommer zei- ik vond dat ik het op de fiets ook prima afkon- was het toch een echte topper. Ik heb ontzettend veel plezier van die brommer gehad. En ik niet alleen, ook mijn beste vriendin van toen. Alhoewel het brommertje eigenlijk niet bestemd was voor twee personen, reisden we toch overal met z'n tweeën heen. Ik pikte haar op in Winneweer en zo reisden we over het platteland van schuurfeest naar zolderfeest naar schuurfeest.

Over de lichtblauwe helm was ik minder enthousiast. Het was echt babyblauw en bepaald niet cool, iets wat mijn oom destijds zeker wel was. Volgens hem moest hij de meisjes met een stok van zich slaan. De lichtblauwe helm heeft daar vast en zeker niet aan bijgedragen. Maar goed, om te kunnen rijden op de rode Puch, moest ik de lichtblauwe helm op de koop toe nemen.

Ik kwam nooit iemand anders tegen met een lichtblauwe helm. Tegenwoordig is de trend op het gebied van helmen wel heel bizar, al moet ik wel zeggen dat ik ze hier nog nooit heb gezien: een nutty helmet of brainy helmet. Kijk voor meer van dit soort trends op http://trendhunter.com.

vrijdag 7 januari 2011

De kromme en de blinde


Collega komt binnenstormen in het kantoor van boezemvriendin en mij. Onze deur staat eigenlijk altijd open. Niet dat een gesloten deur een hindernis voor hem vormt, het is eerder een uitdaging. "Hoe is het?", vraagt hij. "Wel goed", zeggen we. Dat is niet helemaal waar, want boezemvriendin heeft een ontstoken oog en ik heb last van mijn rug. Hij kijkt mij aan. "Beter dan in het begin van de week. Ik kan eigenlijk niet goed zitten, liggend gaat het prima", zeg ik. Begin deze week kwam hij namelijk ook even langs terwijl ik krom naast mijn bureau stond. "Toen nam ik net een paracetamol toen je binnenkwam toch?" "Eén? Eén?", zegt hij "zeg maar gerust bakken vol." "En jij?", vraagt hij aan boezemvriendin, die haar voortdurend lekkende oog dept. "Ik heb een ontstoken oog", zegt ze. "Je ziet het misschien niet, maar het prikt en ik heb het gevoel alsof ik een enorm oog heb." Boezemvriendin heeft een blad op haar bureau liggen met de titel Horizontaal. "Was dat niet jouw lijfblad?", grapt hij tegen mij. Hij vindt het enorm vermakelijk, twee van die kneuzen in één kantoor. "Ze zeiden hier verderop al: Moet je daar gaan kijken daar zitten de kromme en de blinde!" We lachen er smakelijk om en zo houden onze collega's ons dus op de been.

woensdag 5 januari 2011

Sierprakken


Onze kinderen zijn liefhebbers van de gestampte pot. In de winter eten we dan ook regelmatig stamppot, variërend van hutspot, stamppot snijbonen tot boerenkool. Allemaal hebben ze een andere favoriete stamppot. "Op dit moment staat bij mij deze stamppot op nummer één", zegt onze zoon. We eten stamppot snijbonen. "Bij mij op twee", zegt de jongste. Bij haar staat hutspot namelijk op één. "Bij mij ook", zegt de oudste, want die houdt het meest van boerenkool.

Maar welke stamppot ik ook maak, meestal wordt er met smaak gegeten. Onze dochters nemen daar vaak alle tijd voor. Het zijn langzame eters. Goed voor hun spijsvertering, maar bij ons -snelle eters- wekt het soms wel irritatie. De jongste is druk bezig haar augurken te rangschikken. Ze prakt de -al dubbel en dwars gestampte- stamppot nog eens heen en weer. Als ze er met haar vork een mooi gelijkmatig patroontje in prakt, vindt E. het wel genoeg en zegt: "Hou nou maar op met sierprakken en begin te eten."

dinsdag 4 januari 2011

Nieuwjaarscompetitie


Onze jongste badmintont. Dat doet ze nu al zo'n drie jaar. Dit jaar maken we in ieder geval de derde nieuwjaarsvisite mee. De nieuwjaarsvisite bestaat eruit dat het lid -in dit geval onze dochter- iemand mee mag nemen naar de les en aansluitend kan er dan een drankje met een handjevol pinda's worden weggewerkt. Het eerste jaar hadden we deze traditie nog niet helemaal te pakken, dus toen was er geen vader, moeder, broertje of zusje bij haar. Met haar gebruikelijke gevoel voor drama vertelde ze dat ze de enige was die zonder ouders was komen opdraven. Vervuld van schuldgevoel ging ik vorig jaar dan ook met haar badmintonnen – om vervolgens te ontdekken dat er slechts twee andere ouders waren komen opdagen. Met terugwerkende kracht zakte mijn schuldgevoel in als een cake in een tochtende oven. Ik zette de hele les natuurlijk wel mijn beste beentje voor en de jongste leerde mij alle tips en trucs.

Dit jaar was haar vader aan de beurt. Daar was geen ontkomen aan, want ik lig met rugklachten te vegeteren op de bank zodra ik thuis ben van het werk. Vandaag ging het alweer beter dan gisteren, maar toch nog net niet genoeg om te kunnen denken aan badminton. Anders dan ik is E. zeer competitief ingesteld. Vorige week schaatste hij nog met een aantal geoefende schaatscracks mee op het Zuidlaardermeer. En vroeger op fietsvakantie kon hij het ook al niet verdragen als er iemand harder fietste. Dus na de badminton kwam in de kleedkamer de onvermijdelijke vraag aan de jongste: "En wie was beter, mamma of ik?" De jongste komt het me meteen vertellen als ze thuiskomt. "Ik zei: even goed", vertelt ze er direct bij.

Onder het eten zeg ik tegen E.: "Dus je vond het ook wel leuk om te badmintonnen?" Hij houdt het een beetje in het midden. "Jammer dat je niet zo goed was als ik", zeg ik. E. lacht er smakelijk om, hij kan mijn opmerking duidelijk niet serieus nemen. "Volgend jaar", zegt hij, "dan gaan wij samen met haar mee. En dan maak ik je helemaal in." "Ik ga ook mee", zegt onze zoon "en dan maak ik jou helemaal in", zegt hij tegen zijn zusje. Ze hebben er overduidelijk zin in. Jammer dat het nog een heel jaar duurt.

maandag 3 januari 2011

Op de letter


Sinds een paar dagen 'zit' ik ook op Twitter. Het is nog even wennen. De baas zat al op twitter. Ik ben nog maar net in de lucht, of hij is al aan het volgen. En het duurt maar even voor ik een boodschap van hem ontvang via Twitter. Een berichtje op Twitter, een tweet, mag 140 tekens bevatten. En dat vind ik een leuke uitdaging. Ik stuur de baas dan ook twee boodschappen achter elkaar van precies 140 tekens. Opdat het hem niet ontgaat, twitter ik na twee berichtjes: "Dat was er net weer eentje van 140 tekens. Alleen om te laten zien dat ik het kan!" Hij is niet onder de indruk: "Verder alles in orde?" twittert hij.

Ooit liet ik me ontvallen dat ik geen andere leidinggevende ambitie heb dan baas over woorden te zijn. Een weinig bescheiden ambitie, waar ik een leven lang mee vooruit kan. Het minste wat een baas over woorden moet kunnen is berichtjes van precies 140 tekens de wereld insturen. Ik ben inmiddels zoveel baas over woorden dat dat me gemakkelijk afgaat. Het wordt je ook gemakkelijk gemaakt: de tekens worden afgeteld.

Ooit deed ik het nog handmatig. Voor mijn afstuderen deed ik met een een medestudente namelijk een jaar lang leesonderzoek onder allochtone jongeren. Daarvoor schreef ik een aantal teksten in de week. Die teksten moesten dezelfde moeilijkheidsgraad, hetzelfde thema en dezelfde lengte hebben om een goede vergelijking te kunnen maken. Op een gegeven moment kon ik bijna op de automatische piloot schrijven op leesbaarheidsindex en lengte. Ik schreef ze op 85, 90, 95. Of dat ook gelukt was, kon ik pas zeggen na een uitgebreide tel- en rekensessie. Dat hoeft voor Twitter dus niet meer.