Het is weer in: breien. Jaren geleden was het ineens over. Overal verdwenen de knotten wol uit de winkels. Maar de laatste jaren rukken ze weer op. Het mag weer. Zaterdag stond het in de krant. Dit weekende waren er in de stad namelijk de Brei- en Haakdagen. Het regionale dagblad besteedt er aandacht aan door mensen van verschillende leeftijdscategorieën te interviewen. Twee dames van mijn leeftijd halen herinneringen op aan het breien. Ik citeer: "We waren al samen aan het breien in onze studententijd. Toen was het ook hip. Iedereen deed het." Nou, ik ben ze ook tegengekomen in mijn studententijd: studentes die tijdens de colleges zaten te breien. Maar hip is dat volgens mij nooit geweest. Ik vond het altijd achterlijk, suf en tuttig dat mensen tijdens colleges zaten te breien.
Destijds breide ik zelf ook, maar nooit tijdens colleges. Ik heb altijd voorkeur voor meer focus gehad. Als je zat te breien
was je naar mijn idee gewoon niet bij de les. Het was het
met-je-telefoon-spelen-avant-la-lettre. Ik heb ook nooit de illusie gehad dat het hip was. Ik vond het gewoon leuk om te
doen. Ik heb mezelf zelfs een aantal keren een schouderkapselontsteking
gebreid vanwege een totaal gebrek aan maatgevoel. Eenmaal iets op de
pennen, dan moest het af. De laatste stuiptrekkingen op breigebied had
ik toen de kinderen werden geboren. Dat was net lekker te behappen: zo'n
kindertruitje. Maar wie weet, krijg ik binnenkort de geest weer...
Posts tonen met het label breien. Alle posts tonen
Posts tonen met het label breien. Alle posts tonen
zondag 13 oktober 2013
dinsdag 9 december 2008
Wotterkolle
Het is koud buiten. Als de temperaturen dalen, leef ik doorgaans op. Lekker, vind ik dat. Ik ben dol op knisperend koud weer. Ook al zie je er vaak niet uit. Het haar is statisch. En als het echt koud is, krijg ik rode vlekken in het gezicht. Maar toch: heerlijk. Als het een beetje gaat vriezen is het helemaal lekker. Daar verheug ik me op. Droge wegen van de kou. Of eventueel met sneeuw, maar dan krakende sneeuw, die blijft liggen.
Nu is het koud, maar het is een beetje kleffig. Zo van achter het raam lijkt het prachtig. Vanmiddag kijk ik uit het raam naar de neerdwarrelende witte fijne sneeuw. De bossen op het terrein waar ik werk, zien eruit alsof ze met poedersuiker zijn bestoven. Maar als ik buiten kom, is die witte pracht alweer verworden tot een bruine derrie. Het is een natte, kleffe bedoening. "Het dooit als een gek", zegt een oud-collega die nog even langskomt. Het is wachten op de vorst, op de lekkere kou. Nu is het ook koud. Niet echt in graden Celsius, maar het voelt wel heel koud aan. Wotterkolle zeg je dan in het Gronings. Het is de kou die aan regen voorafgaat of die je hebt als het regent. Het is geen vrieskou. Toch ben ik koud. Thuis hul ik me snel in een fleecevest. Ik gooi twee pittenzakjes in de magnetron om mijn voeten te warmen.
Boven liggen nog vijf truien die ik in de vorige eeuw breide. Ze zijn allang verbannen uit de kledingkast. Eerst had ik een hele doos vol. Ze hebben jarenlang in die doos op zolder gestaan, met daarop geschreven TRUIEN. Na een heftige selectie zijn er nu nog vijf over. Drie van schapenwol en twee van gekleurd sokkenwol. Die van schapenwol zijn echt lekker warm. Er zijn een grove donkerbruine en een fijne witte van mij bij en een grijze van E.. De witte heeft boorden en een col met kabels erin. Die grovere ruiken na al die jaren nog een beetje naar schaap. Te gek toch; van welk ander geurtje kun je zeggen dat het twintig jaar blijft hangen? Die van sokkenwol -van E.- kan ik niet weggooien, omdat ik me er lens op geprikt heb. We hebben ze de laatste twintig jaar niet gedragen. Ze zijn gewoon veel te warm. Voordat we ze aan kunnen is er meer dan wotterkolle alleen nodig. Dan hebben we een poolwinter nodig. Of het er nog van gaat komen? Ik betwijfel het, maar vooralsnog neem ik het zekere voor het onzekere.
Nu is het koud, maar het is een beetje kleffig. Zo van achter het raam lijkt het prachtig. Vanmiddag kijk ik uit het raam naar de neerdwarrelende witte fijne sneeuw. De bossen op het terrein waar ik werk, zien eruit alsof ze met poedersuiker zijn bestoven. Maar als ik buiten kom, is die witte pracht alweer verworden tot een bruine derrie. Het is een natte, kleffe bedoening. "Het dooit als een gek", zegt een oud-collega die nog even langskomt. Het is wachten op de vorst, op de lekkere kou. Nu is het ook koud. Niet echt in graden Celsius, maar het voelt wel heel koud aan. Wotterkolle zeg je dan in het Gronings. Het is de kou die aan regen voorafgaat of die je hebt als het regent. Het is geen vrieskou. Toch ben ik koud. Thuis hul ik me snel in een fleecevest. Ik gooi twee pittenzakjes in de magnetron om mijn voeten te warmen.
Boven liggen nog vijf truien die ik in de vorige eeuw breide. Ze zijn allang verbannen uit de kledingkast. Eerst had ik een hele doos vol. Ze hebben jarenlang in die doos op zolder gestaan, met daarop geschreven TRUIEN. Na een heftige selectie zijn er nu nog vijf over. Drie van schapenwol en twee van gekleurd sokkenwol. Die van schapenwol zijn echt lekker warm. Er zijn een grove donkerbruine en een fijne witte van mij bij en een grijze van E.. De witte heeft boorden en een col met kabels erin. Die grovere ruiken na al die jaren nog een beetje naar schaap. Te gek toch; van welk ander geurtje kun je zeggen dat het twintig jaar blijft hangen? Die van sokkenwol -van E.- kan ik niet weggooien, omdat ik me er lens op geprikt heb. We hebben ze de laatste twintig jaar niet gedragen. Ze zijn gewoon veel te warm. Voordat we ze aan kunnen is er meer dan wotterkolle alleen nodig. Dan hebben we een poolwinter nodig. Of het er nog van gaat komen? Ik betwijfel het, maar vooralsnog neem ik het zekere voor het onzekere.
zondag 23 november 2008
Breikunst
E. loopt al een poosje rond met zijn muts op. Hij draagt de muts als een eierwarmer of een theemuts. Alleen het randje knelt om zijn hoofd, de rest staat recht omhoog. "Je lijkt net een moslimman uit een of ander ver bergstaatje", zeg ik hem. "Was ik maar een moslimman uit een of ander ver bergstaatje", moppert hij. Hij heeft een hekel aan dit weer. En dan ben ik ook nog in huis bezig. Niet aan het klussen, maar aan het rommelen. "Dat kan ik er gewoon niet bij hebben.", moppert hij verder. "En dan dat klotenweer."
Ik heb helemaal geen last van dit weer, mijn humeur lijdt er niet onder. Op de zaterdagmiddag ruim ik samen met onze jongste de trampoline op. Hadden we natuurlijk beter eerder kunnen doen, want ik had bijna bevroren handen. Maar als ze dan weer warm worden, dan tintelt het wel lekker. Het is duidelijk: er is teveel contrast tussen mijn humeur en zijn humeur. Dat kan E. er zeker niet bij hebben. "Ik vind het juist wel lekker", zeg ik. "Verwarming aan, lichtjes aan." 's Middags loop ik nog even naar de lichtboetiek hier een paar huizen verderop. Door al dat klussen waren we door onze stoppen heen. E. had in zijn horoscoop gelezen dat ik veel geld uit zou gaan geven aan het interieur. Het laatste wat ik wil is E. teleurstellen als hij in een dip zit. Dus heb ik behalve die stoppen ook nog vier lampen gekocht. Ook bij de lichtboetiek ging het natuurlijk over het weer. "Ik vind het ook helemaal niet erg" vertelt de mevrouw van de lichtboetiek. "Je doet er gewoon een extra lichtje bij aan. Gezellig." "Ja, vind je het gek" knort E. nog even verder.
Hij verdwijnt na het eten in de kamer om de krant te lezen. Even later komt hij zowaar met een spontane glimlach op het gezicht binnenlopen. In de zaterdagbijlage van de NRC stuit hij op de breikunst van Jimini Hignett. En dat kikkert hem op. Alleen maar omdat het kunst is natuurlijk. Toch goed dat hij geen moslimman uit een ver bergstaatje is.
Ik heb helemaal geen last van dit weer, mijn humeur lijdt er niet onder. Op de zaterdagmiddag ruim ik samen met onze jongste de trampoline op. Hadden we natuurlijk beter eerder kunnen doen, want ik had bijna bevroren handen. Maar als ze dan weer warm worden, dan tintelt het wel lekker. Het is duidelijk: er is teveel contrast tussen mijn humeur en zijn humeur. Dat kan E. er zeker niet bij hebben. "Ik vind het juist wel lekker", zeg ik. "Verwarming aan, lichtjes aan." 's Middags loop ik nog even naar de lichtboetiek hier een paar huizen verderop. Door al dat klussen waren we door onze stoppen heen. E. had in zijn horoscoop gelezen dat ik veel geld uit zou gaan geven aan het interieur. Het laatste wat ik wil is E. teleurstellen als hij in een dip zit. Dus heb ik behalve die stoppen ook nog vier lampen gekocht. Ook bij de lichtboetiek ging het natuurlijk over het weer. "Ik vind het ook helemaal niet erg" vertelt de mevrouw van de lichtboetiek. "Je doet er gewoon een extra lichtje bij aan. Gezellig." "Ja, vind je het gek" knort E. nog even verder.
Hij verdwijnt na het eten in de kamer om de krant te lezen. Even later komt hij zowaar met een spontane glimlach op het gezicht binnenlopen. In de zaterdagbijlage van de NRC stuit hij op de breikunst van Jimini Hignett. En dat kikkert hem op. Alleen maar omdat het kunst is natuurlijk. Toch goed dat hij geen moslimman uit een ver bergstaatje is.
Abonneren op:
Reacties (Atom)