Posts tonen met het label kou. Alle posts tonen
Posts tonen met het label kou. Alle posts tonen

dinsdag 15 januari 2013

Hoezo koud?

Het is nu toch wel flink koud. Vanmorgen was ik maar wat blij dat ik de voorruit had afgedekt, want er zat een flinke laag ijs op de auto. Onderweg naar huis kom ik verscheidene jongeren tegen. Hen lijkt de kou niet te deren. Gisteren zag ik een meisje achterop een scooter waar je zonder helm op mag rijden. Zij zat in een ronduit luchtig jackje, haar handen diep in de mouwen teruggetrokken met wapperende haren weggekropen achter een jongeman. Hoezo koud? Ook hij droeg geen handschoenen en geen muts of iets anders wat hem zou kunnen beschermen tegen de bittere kou. Vanmiddag rij ik voorbij een groep meisje die uit school komen. Ook daar geen muts of handschoenen te bekennen. Met wapperende haren en blote oren trotseren ze de kou. Het taboe op mutsen en handschoenen geldt niet voor de sjaal. Die zie je in allerlei soorten en maten: van een gigantische col tot ellenlange sjaals. Ik signaleer het en herken het. Sommige dingen doe je gewoon niet, ook niet als het niet zo comfortabel is. Net als een regenpak bijvoorbeeld. Heel praktisch natuurlijk, maar je wilt er vanzelfsprekend niet in gezien worden. Dan maar liever nat. Op een gegeven moment verdwijnt dat. Dan wordt het opeens belangrijker dat je warme handen en oren hebt, dat je niet nat wordt. Wel zo comfortabel. En natuurlijk een teken dat je ouder wordt. 

dinsdag 9 december 2008

Wotterkolle

Het is koud buiten. Als de temperaturen dalen, leef ik doorgaans op. Lekker, vind ik dat. Ik ben dol op knisperend koud weer. Ook al zie je er vaak niet uit. Het haar is statisch. En als het echt koud is, krijg ik rode vlekken in het gezicht. Maar toch: heerlijk. Als het een beetje gaat vriezen is het helemaal lekker. Daar verheug ik me op. Droge wegen van de kou. Of eventueel met sneeuw, maar dan krakende sneeuw, die blijft liggen.

Nu is het koud, maar het is een beetje kleffig. Zo van achter het raam lijkt het prachtig. Vanmiddag kijk ik uit het raam naar de neerdwarrelende witte fijne sneeuw. De bossen op het terrein waar ik werk, zien eruit alsof ze met poedersuiker zijn bestoven. Maar als ik buiten kom, is die witte pracht alweer verworden tot een bruine derrie. Het is een natte, kleffe bedoening. "Het dooit als een gek", zegt een oud-collega die nog even langskomt. Het is wachten op de vorst, op de lekkere kou. Nu is het ook koud. Niet echt in graden Celsius, maar het voelt wel heel koud aan. Wotterkolle zeg je dan in het Gronings. Het is de kou die aan regen voorafgaat of die je hebt als het regent. Het is geen vrieskou. Toch ben ik koud. Thuis hul ik me snel in een fleecevest. Ik gooi twee pittenzakjes in de magnetron om mijn voeten te warmen.

Boven liggen nog vijf truien die ik in de vorige eeuw breide. Ze zijn allang verbannen uit de kledingkast. Eerst had ik een hele doos vol. Ze hebben jarenlang in die doos op zolder gestaan, met daarop geschreven TRUIEN. Na een heftige selectie zijn er nu nog vijf over. Drie van schapenwol en twee van gekleurd sokkenwol. Die van schapenwol zijn echt lekker warm. Er zijn een grove donkerbruine en een fijne witte van mij bij en een grijze van E.. De witte heeft boorden en een col met kabels erin. Die grovere ruiken na al die jaren nog een beetje naar schaap. Te gek toch; van welk ander geurtje kun je zeggen dat het twintig jaar blijft hangen? Die van sokkenwol -van E.- kan ik niet weggooien, omdat ik me er lens op geprikt heb. We hebben ze de laatste twintig jaar niet gedragen. Ze zijn gewoon veel te warm. Voordat we ze aan kunnen is er meer dan wotterkolle alleen nodig. Dan hebben we een poolwinter nodig. Of het er nog van gaat komen? Ik betwijfel het, maar vooralsnog neem ik het zekere voor het onzekere.