Posts tonen met het label droom. Alle posts tonen
Posts tonen met het label droom. Alle posts tonen

woensdag 10 januari 2018

Harige dromen

 en schurkendromen...
Ik had vannacht een bijzonder rare droom. Het was een fragment, geen uitgesponnen verhaal. Ik keek naar mijn blote benen en die waren zwaar behaard. Dikke donkere haren - nog net geen vacht, maar het scheelde maar weinig. Ik was verbaasd - niet geschokt. En dat was de hele droom.

Metafoor

Soms vraag je je wel eens af waar zulke dromen vandaan komen. Ik ben zelf uitermate licht behaard. Mijn benen kan ik bij wijze van spreken epileren met een pincet (en dat doe ik ook wel eens). Dus met de realiteit heeft zo'n droom niks te maken. "Wat zou het eigenlijk betekenen?", zeg ik tegen E. "Misschien is het een metafoor", zegt hij. Waarvoor het een metafoor zou kunnen zijn? Wij komen er niet uit. 

Schurk

E. is allang blij dat het geen droom was waarin hij weer de schurk uithing. Doorgaans hebben wij een harmonieuze relatie. En zonder enige schroom kan ik zeggen dat E. overdag absoluut de leukste man van allemaal is. Maar in mijn dromen haalt hij altijd de vreemdste streken uit. Als ik dan wakker word kan ik maar een conclusie trekken: het is gain beste. Het houdt de spanning erin zullen we maar zeggen. 

Toegepaste theorie

Er zijn veel theorieën over de functie van dromen. En wat vertellen die me dan over mijn harige droom? 
  • Ze  bereiden je op rampscenario's voor. Daar zou ik harige benen toch niet onder scharen.
  • Ze helpen je bij het leren van nieuwe dingen. Ik deed verder niks - ik keek alleen maar verbaasd.
  • Ze wakkeren onze creativiteit aan. Daar was het haar weer net niet lang genoeg voor.
  • Ze geven je toegang tot het onderbewuste. Zou ik graag heel veel haar op mijn benen willen?
  • Ze helpen je om sterke emoties te vervlakken. Ik ben me niet bewust van sterke emoties ten opzichte van mijn lichaamsbeharing.
  • Ze helpen je om onderdrukte delen van je geest tevreden te stellen zodat die overdag geen problemen veroorzaken Misschien heb ik wel een haarfetisj.
  • Ze helpen je herinneringen die niet relevant zijn op te ruimen, zodat er plek komt voor nieuwe. Dat zou kunnen, ik heb namelijk maar weinig haargerelateerde herinneringen.
  • Ze spelen in op wat wij 's nachts horen en voelen. Nou ben ik er! Ik voelde natuurlijk E's benen!
Wat deze theorieën over mijn terugkerende schurkendromen zeggen? Dat laat ik hier maar even in het midden...

vrijdag 25 januari 2013

Geouwehoer op de werkvloer

Vrijdag is een heerlijke werkdag. Vanmorgen groepen we voor de werkdag begint even samen in de kamer van collega. We hebben het over dromen. De baas en collega dromen als ze druk in het hoofd zijn veel over het werk. Ze lossen hele vraagstukken op tijdens hun slaap. Collega-die-mijn-dochter-zou-kunnen-zijn en ik hebben vreemde dromen. Onsamenhangende dromen waar geen touw aan vast te knopen valt. In die dromen figureren bij mij ook regelmatig collega's. Zo droomde ik vannacht dat een donkerharige mannelijke collega die gisteren een gesprek onderbrak tussen de baas, collega-die-mijn-dochter-zou-kunnen-zijn en mezelf, zijn haar had geblondeerd. Geen aanrader, kan ik zeggen. Hij had geen grote rol in mijn droom: hij kwam enkel even binnenvallen, maar nu met een geblondeerd hoofd.

Die terloopsheid is typerend voor de manier waarop bij mij voorvallen in een droom worden verwerkt. Ooit maakte ik de grote fout om de baas te vertellen dat ik over hem had gedroomd. Het ontglipte me. Het liep op een teleurstelling uit, want de baas verwachtte een heroïsch optreden van zijn kant, terwijl hij in mijn droom slechts met grote ogen zat te kijken. (De baas heeft namelijk van nature best wel grote ogen). Later op de dag loopt hij bij me binnen: "En nog even over die droom van jou. Ik ben ontevreden over mijn rol: gewoon maar een beetje met grote ogen zitten kijken. Misschien moet ik eens wat meer optreden. Dan heb ik de volgende keer misschien een betere rol."

Heerlijk is dat. Door de week hollen we wat af, maar op de vrijdag kan het nog even: geouwehoer op de werkvloer.

dinsdag 14 juni 2011

Een met het tasje


Zoals zo vaak heb ik ook de afgelopen vrije dagen – of liever de nachten bij de dagen- heftig gedroomd. Een van de dromen ging over mijn tasje. Er gebeurde van alles, maar dat deed er eigenlijk niet toe. Het draaide allemaal om mijn tasje. Ik zat in een vliegtuig op weg naar Mexico. Het was niet het meest solide vliegtuig, maar dat deerde me totaal niet. Ik was mijn tasje namelijk kwijt: die lag volgens mij in het laadruim. Ik wilde het per se uit het laadruim halen, maar dat mocht niet. De stewardess liet me weten dat dat echt levensgevaarlijk was: ik zou zomaar tussen schuivende kratten bekneld kunnen raken. Ik gaf me niet direct gewonnen, maar legde me er uiteindelijk toch bij neer. Toen bleek ineens dat drie jonge mannen mijn tasje hadden. Ik wist dat niet. Ze hadden er keurig op gepast. Toen ik het tasje eenmaal had, was de droom voorbij.

Ik ben nog nooit naar Mexico gevlogen, maar mijn tasje ben ik regelmatig kwijt. En dat geeft een onrustig gevoel – net als in de droom. En als ik het tasje al vind, dan is er nog geen enkele garantie dat er in zit wat ik er graag in wil vinden. 75% van de tijd ben ik iets kwijt dat in het tasje hoort te zitten. De sleutels van de garage staan onbetwist op nummer 1 in mijn meest gezochte items aller tijden. In het tasje zitten namelijk veelgebruikte items. En daar zit 'm de kneep: zodra ik iets ga gebruiken, laat ik het slingeren.

Eigenlijk zou ik net moeten doen als mijn oma: die liet haar tasje gewoon niet los. Oma had haar tasje altijd op schoot. Ik herinner me haar eigenlijk niet anders. Ze was toen al oud, ziek en niet meer helemaal zichzelf, maar die gewoonte had ze altijd al. Vroeger woonden ze namelijk op een schip. Alle waardevolle dingen waren altijd aan boord. Als het schip gelost was, was er bovendien ook altijd een grote som geld aan boord van het schip. Toen zal oma deze gewoonte ontwikkeld hebben. Mijn vader vertelt wel eens dat ze in de oorlog genoodzaakt waren om het schip te verlaten om zichzelf in veiligheid te brengen. Samen stapten ze in een roeiboot: mijn vader, zijn vader, zijn broer, mijn oma en haar tasje.

Onafscheidelijk van het tasje, misschien is dat wel de oplossing.

maandag 13 juni 2011

Een met het tasje



Zoals zo vaak heb ik ook de afgelopen vrije dagen – of liever de nachten bij de dagen- heftig gedroomd. Een van de dromen ging over mijn tasje. Er gebeurde van alles, maar dat deed er eigenlijk niet toe. Het draaide allemaal om mijn tasje. Ik zat in een vliegtuig op weg naar Mexico. Het was niet het meest solide vliegtuig, maar dat deerde me totaal niet. Ik was mijn tasje namelijk kwijt: die lag volgens mij in het laadruim. Ik wilde het per se uit het laadruim halen, maar dat mocht niet. De stewardess liet me weten dat dat echt levensgevaarlijk was: ik zou zomaar tussen schuivende kratten bekneld kunnen raken. Ik gaf me niet direct gewonnen, maar legde me er uiteindelijk toch bij neer. Toen bleek ineens dat drie jonge mannen mijn tasje hadden. Ik wist dat niet. Ze hadden er keurig op gepast. Toen ik het tasje eenmaal had, was de droom voorbij.

Ik ben nog nooit naar Mexico gevlogen, maar mijn tasje ben ik regelmatig kwijt. En dat geeft een onrustig gevoel – net als in de droom. En als ik het tasje al vind, dan is er nog geen enkele garantie dat er in zit wat ik er graag in wil vinden. 75% van de tijd ben ik iets kwijt dat in het tasje hoort te zitten. De sleutels van de garage staan onbetwist op nummer 1 in mijn meest gezochte items aller tijden. In het tasje zitten namelijk veelgebruikte items. En daar zit 'm de kneep: zodra ik iets ga gebruiken, laat ik het slingeren.
Eigenlijk zou ik net moeten doen als mijn oma: die liet haar tasje gewoon niet los. Oma had haar tasje altijd op schoot. Ik herinner me haar eigenlijk niet anders. Ze was toen al oud, ziek en niet meer helemaal zichzelf, maar die gewoonte had ze altijd al. Vroeger woonden ze namelijk op een schip. Alle waardevolle dingen waren altijd aan boord. Als het schip gelost was, was er bovendien ook altijd een grote som geld aan boord van het schip. Toen zal oma deze gewoonte ontwikkeld hebben. Mijn vader vertelt wel eens dat ze in de oorlog genoodzaakt waren om het schip te verlaten om zichzelf in veiligheid te brengen. Samen stapten ze in een roeiboot: mijn vader, zijn vader, zijn broer, mijn oma en haar tasje.

Onafscheidelijk van het tasje, misschien is dat wel de oplossing.

zondag 8 mei 2011

Geen stroopwafels voor Hugo



In mijn door snot gesmoorde slaap heb ik deze week heel veel gedroomd. De oudste weet precies waar dat van komt; zij verdiept zich al een tijdje in het fenomeen slaap. Dromen doe je namelijk in je REM-slaap, niet in je diepe slaap. En door al dat gerochel en gesnuif, raak ik niet echt in een diepe slaap, maar blijf ik een beetje in de REM-slaap hangen. En dan droom ik de meest bijzondere dingen.

Zo droomde ik deze week dat ik bij Hugo Borst op bezoek ging. Natuurlijk: ik mis Hugo voor de tv. Niemand kan beschouwen zoals Hugo dat doet. Het is niet iets wat me dagelijks bezighoudt, tenminste dat dacht ik. In mijn droom was Hugo enigszins verstoord door het bezoek; net als ik kon hij het ook niet zo goed plaatsen. Hij was een beetje chagrijnig, maar dat vond ik niet erg: dat is precies zoals Hugo moet zijn. Uit de media heb ik inmiddels vernomen dat Hugo al lange tijd antidepressiva slikte. Hij had meer dan genoeg van al die televisieoptredens. En dat was ook tijdens het bezoek wel duidelijk. Hugo wond er geen doekjes om: geen Hugo Borst meer op tv. De droom eindigde abrupt toen ik me hardop afvroeg wat Hugo nu wil gaan doen. Hugo vond niet dat ik daar iets mee te maken had. Toen ik vroeg of stroopwafelbakker niet iets zou zijn, kon ik vertrekken.

zondag 25 oktober 2009

Flashbackdroom



Vannacht had ik een levendige droom. Het ging over een oud-collega. Ze is alweer een aantal jaren geleden vertrokken. En daarvoor was ze twee jaar ziek. Ze is na haar ziekte nooit terug gekomen. Ze werd namelijk ook een beetje ziek van het werk. En -naar later bleek- ook van mij. En dat ging niet weer over. Dat hield maar aan en uiteindelijk vertrok zij.

Het is een van de meest vreemde ervaringen die ik op het werk gehad heb. We hadden destijds net als nu een klein team: drie adviseurs en een assistent. Als adviseurs waren we allemaal zeer verschillend. Maar ik heb dat altijd als waardevol beleefd. Zij was de perfectionist van het stel. Alles liep op rolletjes tot ze zwanger werd van de eerste. Haar zwangerschappen waren moeizaam. Ze was ruim voor de bevalling uitgeschakeld en ook na haar bevallingen duurde het lang voor ze terug was. Maar je hebt het nou eenmaal niet voor het zeggen hoe het je vergaat tijdens je zwangerschap. 

Toen ze na twee zwangerschappen vlak na elkaar weer op het werk kwam, waren we opgetogen: eindelijk weer op volle sterkte. Samen gingen we inspiratie opdoen op een congres in de Achterhoek. Omdat collega die omgeving als zijn broekzak kende, reed hij. Ik zat voorin; zo waren de verhoudingen nou eenmaal. Zij was nog een beetje moe, dus lag ze onderuitgezakt achterin de auto. Het was een genoeglijke dag. Op de terugreis zaten we vol plannen: nu we weer voltallig waren, konden we bergen verzetten en een aantal nieuwe ideeën uitvoeren. De dag erna was ik vrij. En juist die dag werd ze onwel. Ze is door een collega naar huis gebracht. Dat was het begin van een ziekteperiode van twee jaar, waarin wij zonder vervanging verder moesten. Ik heb in die periode en ook later nooit meer een woord met haar gewisseld.

Aanvankelijk waren we erg met haar begaan. Dus schreven we haar mailtjes en berichtjes. Al snel had ik in de gaten dat het blijkbaar iets met mij te maken had. Mijn berichtjes werden namelijk niet beantwoord, in tegenstelling tot die van anderen. Over de reden daarvoor tastte ik volkomen in het duister. Naar mijn idee waren we altijd goede collega’s geweest. 

Na een jaar kwam een mevrouw van het bedrijfsmaatschappelijk werk met ons praten. Op ons eigen verzoek. Want een zieke collega wordt behoorlijk gepamperd, maar het team dat zich het snot voor de ogen werkt staat meestal aardig in de kou. Toen hoorde ik voor het eerst officieel dat het probleem van mijn collega ook met mij te maken had: ze had het gevoel dat ze met mij in competitie was. Zelf heb ik dat gevoel nooit gehad. De bedrijfsmaatschappelijk werker stelde me gerust: dat zou ze met iedere competente vrouw hebben gehad, volgens haar.

Ons meegevoel zakte behoorlijk toen ze in haar ziekteperiode een half jaar met haar man naar Amerika ging. Dat vonden we heel bijzonder: een deel van het probleem van niet komen werken was namelijk dat ze niet naar buiten durfde. Maar Amerika zou wel eens helend kunnen werken was het verhaal. Als team hebben we dat als heel oneerlijk beleefd. Nog steeds ben ik daar zeer verbaasd over: hoe krijg je het in vredesnaam voor elkaar om binnen je ziekteverlof naar het buitenland te gaan?

Achteraf begrijp ik dat zij alles in het kader van een wedstrijd plaatste. Dat ging nog veel verder dan het werk: mijn gemakkelijke bevallingen en zwangerschappen, het gemak waarmee ik werk en gezin volgens haar combineerde -en dan ook nog leuke dingen met de kinderen deed, mijn principes – die behoorlijk streng kunnen zijn, mijn arbeidsethos die me naar het werk drijft ook als ik me niet helemaal fit voel en dan natuurlijk nog een heleboel werkgerelateerde zaken. Niets van dit alles heeft ze me zelf in het gezicht verteld. En daar heb ik denk ik nog wel de meeste moeite mee. Je kunt er namelijk niets mee. Het maakt machteloos en werkt verlammend.

Ik heb het achter me gelaten, maar het hele incident heeft wel sporen nagelaten. Ik ben terughoudender geworden naar collega’s. Als mij iets dwars zit, zeg ik het direct. En als ik denk dat er iets is met een collega, dan ga ik erop af. Dit alles met een doel: dit zal me niet weer overkomen.
 Ik ben uitstekend in staat op ‘schone breuken’ te maken. Als iets of iemand heeft afgedaan, kan ik zonder veel moeite verder gaan. Zo iemand hoef ik nooit meer te zien of spreken. Dat is voorbij, geweest, over en uit. Zo is het ook met mijn collega gegaan. Maar vannacht zag ik haar dus. Ze was nog niks veranderd. We raakten niet echt in gesprek, het bleef bij een oppervlakkige babbel. En het grappige is: ook al dacht ik destijds van niet, het is nooit anders geweest.