Posts tonen met het label geloof. Alle posts tonen
Posts tonen met het label geloof. Alle posts tonen

woensdag 2 december 2015

Niet slikken en knikken maar denken

Gisteravond zag ik een fragment van het programma Van hagelslag naar halal. Het gaat over een reis die drie moeders met hun tot de islam bekeerde dochters maken. De moeders hebben moeite met de bekering van hun dochters. Een van de dochters draagt een nikaab. Haar moeder herkent haar niet meer. Kiezen tussen het geloof en de familie? Zonder aarzelen kiezen alle dochters voor het geloof. Het is vervreemdend.

Automatisch vraag ik me af: hoe zou ik dat eigenlijk vinden? Ik hoef er niet lang over na te denken: ik zou het maar niks vinden. Ik zou moeite hebben met iedere vorm van 'bekering' door mijn kinderen. Of het nou gaat om een religie of een ideologie. De reden daarvoor is dat ik wars ben van iedere vorm van onderwerping. En je overgeven aan een religie of ideologie betekent altijd een zekere onderwerping. En daarbij hoort voegen en niet vragen. 

Boomerangkaart van Ahtnemas
Het zou niet zo moeten zijn, maar ook schoolsystemen dwingen soms onderwerping af. Onze zoon sprak gisteren toevallig met een klasgenoot over een van de fundamentele uitgangspunten van zijn opvoeding: niet slikken en knikken, maar denken. "Ze willen je leren om te buigen", zei ik ooit eens naar aanleiding van een incident op school. "Dat hoef je niet te doen, je moet zelf blijven nadenken. Niet slikken en knikken, maar denken." Dat was niet tegen dovemansoren gezegd. Hij denkt en slikt niet - in de wetenschap dat wij daar achter staan.

Onderwerping zet de deur open voor blind volgen. En dat leidt tot niets dan ellende.

zaterdag 5 oktober 2013

Geen begrip

Gisteren was ik op de herdenkingsdienst van alweer een collega. Ik kende hem zo'n beetje zolang als ik werk. Maar echt kende ik hem niet. We maakten een praatje, grapten wat over en weer en dan gingen we weer over tot de orde van de dag. "Bedankt voor de gezelligheid", zei hij dan altijd. Gisteren kwam een voor mij totaal onbekende kant van hem boven: hij bleek een zeer gelovig man - als je tenminste afging op zijn herdenkingsdienst.Vaak ben ik geraakt door een afscheid en snel met mijn tranen, maar deze keer was dat niet het geval. De dienst vloog voor mij zo hoog over dat het mij niet raakte, met uitzondering van het moment dat zijn vrouw het gedicht 'Al weet ik dat je veilig bent' voordroeg.

Na de dienst bleek ik niet de enige te zijn die verrast was door het karakter van de dienst. "Ik kan er soms wel eens jaloers op zijn", zegt een collega die net als ik ongelovig is. Ik snap wel wat hij bedoelt: dat idee dat je gedragen wordt door het geloof. En toch ook weer niet. Ik kan het gewoon niet bevatten. In het gedicht werd de zin "Ik kan nooit meer bij je zijn" gelezen. En dat werd dan weer gecombineerd met de berusting dat de Heer dat leven genomen heeft - dat dat goed is. "Ik snap daar niets van", zeg ik vanmorgen tegen E. terwijl we nog in bed liggen. "Jij zou meer iets hebben van: wat flik je me nou?", zegt hij. E. kent me. Dat zou inderdaad mijn reactie zijn. Juist als ik zou geloven dat Iemand er de hand in had zou het voor mij onverteerbaar zijn. Een dergelijke berusting voelt voor mij bijna kinderlijk naief.

Niemand ontkomt aan het verlies van geliefden. Ik kan daar nog niet echt over meepraten en ik weet dus niet hoe ik zal reageren. Ik hoop dat het ook nog lang niet zover is, maar ik geloof wel: in mezelf. In mijn flexibiliteit, in mijn veerkracht, in mijn vermogen om te overleven. Mijn geliefden worden gelukkig niet geroepen door de Heer. Daar zou ik geen begrip voor hebben.

maandag 20 juni 2011

Een vervelend gevoel



's Woensdags ben ik vrij. Zo ook vorige week woensdag. Meestal is het huis E's domein, omdat hij zijn kantoor aan huis heeft. Dan is hij dus altijd degene die de deur opendoet. Deze keer deed ik het nietsvermoedend. Voor de deur staat een jongetje van een jaar of acht. Achter hem staat een vrouw met een wandelwagen. Zijn moeder, veronderstel ik. Het jongetje heeft een blad op zijn arm liggen alsof het een baby is. Een blik erop vertelt me dat het de Wachttoren is. Het zijn dus Jehova's getuigen.

Vol vuur begint het jongetje met zijn verhaal. "Wat vindt u van de armoede in de wereld?" Het is nogal een grote vraag voor zo'n klein jongetje. "Helemaal eerlijk is het niet he?", zeg ik. "Wat wilt u doen aan het oplossen van de armoede?" "We zouden alles een beetje beter kunnen verdelen", zeg ik – zonder het gesprek echt aan te willen gaan. En dan wil hij mij natuurlijk vertellen over zijn oplossing. Ik vind het vervelend om zo'n klein jongetje voor het hoofd te stoten, dus ik formuleer het voorzichtig. "Nou, ik denk dat ik wel ongeveer weet wat je me wilt vertellen. En ik vind het heel dapper van je dat je bij me langskomt om me jouw verhaal te vertellen, maar ik heb er nou eenmaal een andere kijk op, dus voor mij hoeft dat niet. Maar ik wens je veel succes." Hij doet een stap terug. Zijn moeder knikt me vriendelijk toe. Ik heb hem netjes afgehouden.

Ik heb er grote moeite mee dat kinderen op deze manier worden ingezet. Het is onder Jehova's getuigen een bekend fenomeen. Ze zetten die kinderen juist in, omdat je die niet te hard wilt aanpakken. Dat geeft je zelf een onaangenaam gevoel, want wie weet welke schade je aanricht bij zo'n kind. En zo wordt het verhaal je eigenlijk opgedrongen. En ook dat geeft je dan geen goed gevoel. Je bent namelijk opgevoed om mensen netjes te behandelen, maar ook om voor jezelf op te komen. Kortom: tenzij je er echt op zit te wachten, hou je aan zo'n bezoek van Jehova's getuigen eigenlijk altijd een vervelend gevoel over. Met het jongetje heb ik medelijden. Geen kind zou zoiets zelf bedenken. Het was vorige week bovendien pinkstervakantie en dat is toch geen vakantiebesteding voor een achtjarige?