zondag 14 december 2008

Mevrouw K.

Ik heb mijn eigen naam gehouden. Geen haar op mijn hoofd -en dat zijn er nogal wat- die eraan dacht om E's achternaam aan te nemen. Net zoals er geen haar op E's hoofd -dat zijn er een stuk minder- over dacht om mijn naam aan te nemen. Het is bij ons zelfs nooit een onderwerp van gesprek geweest. Voor generaties voor ons was het vanzelfsprekend om de naam van je man aan te nemen. En ook nu zijn er weer meer vrouwen die de naam van hun man aannemen.

Onze kinderen hebben wel E's achternaam. Destijds was het zo, dat als de man de kinderen erkende, ze automatisch zijn achternaam kregen. Maar eerlijkheidshalve denk ik dat dat ook nu het geval zou zijn geweest. Na de bevalling werd ik namelijk overvallen door een combinatie van toegeeflijkheid en superioriteitsgevoel. Ik vond mijn bevallingen fantastische ervaringen. Na die oergebeurtenis voelde ik me tegelijkertijd kwetsbaar en onoverwinnelijk. En E. kon bij zo'n oergebeurtenis nooit meer dan een toeschouwer zijn. Dat vond ik sneu - ook al heb ik E. er nooit over horen klagen. Dus vond ik het prima dat ze zijn achternaam kregen. E. was er bovendien zeer op gesteld. Hij liet en laat graag zien dat zijn kinderen mienent zienent zijn.

Ook al heb ik niet de achternaam van E. aangenomen, ik word natuurlijk wel eens aangesproken als mevrouw K. En ik zal mezelf nooit zo voorstellen, maar ik doe er niet moeilijk over. Dat vind ik kinderachtig. Laatst bijvoorbeeld nog. Ik loop binnen bij de bakker op de woensdag om onze broodbestelling op te halen. Omdat ik de laatste tijd veel geklust heb in huis, ging E. vaak even naar de bakker. Dus ik kom voor het eerst na een tijdje weer binnenlopen op de woensdag. De te keurige jongeman achter de balie, groet me zeer vriendelijk: "Ik haal uw bestelling op mevrouw K." Hij komt terug met twee heerlijke compactbroden. "Alstublieft", zegt hij te vriendelijk.

Hij is het type jongen dat op de middelbare school bij mij werkelijk geen schijn van kans zou hebben gehad. En nu nog irriteert zijn vriendelijkheid mij. Het is onredelijk. Ik weet het, maar het is niet anders. "Meneer K. neemt er op woensdag vaak nog een zonnebloempittenbroodje bij", prijst hij zijn waren aan. En inderdaad, ook de zonnebloempittenbroodjes bij onze bakker zijn heel lekker. "Ja," zeg ik "maar mevrouw K. doet dat niet." Enigszins beteuterd, zegt hij: "Zo dan maar?" Ik reken af en vertrek. Hij zal wel denken: die mevrouw K. is een bitch. Maar zo heet ik gelukkig niet.

zaterdag 13 december 2008

Turkse oase

Vanmorgen rij ik even langs de Turkse bakker. De keren dat ik daar kom, zijn ook direct de enige keren dat ik die wijk bezoek. Het is een weinig tot de verbeelding sprekende grauwe huizenmassa. Met uitzondering natuurlijk van de Turkse bakker en het Turks-Surinaamse warenhuis vlak naast elkaar. Ik ga er altijd graag heen. De Turkse bakker is te herkennen aan de hoge stapels pides voor het raam. De zachte Turkse broden plooien zich in hun plastic zakken een beetje tegen het raam omhoog. Als ik binnenstap, zitten er twee Turkse mannen in de vensterbank koffie te drinken. In het midden van de zaak ligt een partij doeken. Ik zie niet direct waar het goed voor is, maar het is ongetwijfeld handel. Anders lag het er niet. Er is een gezellig soort ongeordendheid in de winkel.

Ik pak twee pides en een zakje sesamringen. In de vitrine staat een bakje met hapjes in een pastelkleurtje met kokos bestrooid. Het ziet er aantrekkelijk uit. De Turkse mannen zijn druk in gesprek. Ze snuiven hun neus luidruchtig en ook het gesprek wordt op hoge toon gevoerd. De Turkse bakker maakt net even een praatje met de Surinaamse buurman. Als de mannen vinden dat het te lang duurt, schreeuwt de man met het Turkse mutsje naar hem. Ik heb geen haast, maar blijkbaar vinden ze het onacceptabel dat ik sta te wachten. Als hij niet onmiddellijk komt, wordt er opnieuw - en nu met meer tekst naar de bakker geroepen. Dan komt de bakker. "Wat is dit?", vraag ik en ik wijs naar het kleurrijke bakje. "Ikke zie het niet", zegt de bakker. Hij heeft een duidelijk accent. De voertaal in de winkel is -anders dan in het warenhuis ernaast- voornamelijk Turks. Het is een Turkse oase in de grauwe wijk. Ik pak het bakje en haal het eruit. Hij kijkt me aan, duidelijk verpletterd door zoveel onwetendheid. "Datte? Dat isTurks fruit! Heel zoet.", zegt hij. "Oh", probeer ik me eruit te redden. "Dat ken ik alleen in vierkante blokjes gesneden en met poedersuiker bestrooid. Ik heb het nog nooit met kokos gezien." Hij reageert amper. Het is gewoon te dom voor woorden, zie ik aan zijn gezicht. Maar vragen stellen is nooit dom, want ik heb vandaag dus weer iets bijgeleerd. En nog een bakje Turks fruit gescoord bovendien!

vrijdag 12 december 2008

Goed gedaan buurmannetje!

Onze buurman heeft een lintje gekregen. Hij heeft zich jarenlang ingezet als bestuurder voor zijn vakvereniging en hij zit bovendien in de politiek. Hij is dus veel op pad. Dat lintje heeft 'ie dan ook wel verdiend. We hebben het heuglijke nieuws niet van de buurman zelf gehoord, maar we lazen het in de krant. En over zo'n berichtje zou je gemakkelijk heen kunnen lezen, ware het niet dat er een foto van de buurman bij stond.

Als ik de krant sta te lezen, komt de jongste langszij. "Hé, dat is de buurman!" Ja, dat had ik ook gezien. Ik vertel dat hij een koninklijke onderscheiding heeft gekregen. "Laten we een mok kopen voor hem bij de MIlo", stelt ze voor. Ik reageer lauw. "Dan nemen we er eentje met daarop: Goed gedaan buurmannetje!" "Ze hebben vast geen mokken voor buurmannen", zeg ik nog. Het klinkt me ook niet als een voor de hand liggende tekst voor een mok in de oren. Verontwaardigd kijkt ze me aan: "Ik ben toch zeker zelf bij de Milo geweest en daar heb ik het gezien."

De buren zijn er vandaag op uit. Drie joekels van boeketten worden bezorgd; of wij ze wel even willen aannemen. Het zijn prachtige boeketten. Daar gaan wij niet overheen. Dus besluiten we dan toch maar voor een mok te gaan. Samen met de jongste ga ik naar de super. In Struvé center, het historische pand waar onze super gehuisvest is, zit ook de Milo. Nadat we boodschappen hebben gehaald, lopen we nog even weer naar binnen naar de Milo. Rijen met mokken voor opa, oma, pappa, mamma, ooms, tantes, een 50-jarige, een collega, maar helaas geen mok met daarop de tekst Goed gedaan buurmannetje! Ze schiet de verkoopster aan: "Waar staan de buurmanmokken?", vraagt ze. "Die zijn er niet", zegt de verkoopster zonder blikken of blozen. Niet voor één gat te vangen, kijkt ze nog even verder bij de mokken. En dan komt ze triomfantelijk terug met een mok met daarop Gefeliciteerd! en aan de binnenkant van de beker staat Je bent geweldig. "Deze is ook leuk voor de buurman", zegt ze. "Weet je wat?", zeg ik, "we nemen hem." "En dan doen we er nog snoepjes in voor de buurman", zegt ze. Ze stuit op chocolade in de vorm van vlaggetjes. Ook leuk, maar toch jammer om ze in een mok te stampen. Het worden dessertmints. Nu is het wachten op de terugkeer van de buurman, die er straks bij iedere slok aan wordt herinnerd hoe geweldig hij is.

donderdag 11 december 2008

Frontaal

Elkaar ergens op aanspreken; het blijft moeilijk. Vandaag had ik weer zoiets bij de hand. Liever dan elkaar in de ogen te kijken en te vragen: Wat is nou eigenlijk je probleem?, wordt er een andere uitweg gezocht. Een zeer populaire uitweg is het aanscherpen van procedures en het op orde brengen van systemen. En natuurlijk, dat moet je ook zeker niet nalaten. Maar waar het uiteindelijk om gaat, is dat je elkaar aanspreekt op gedrag. Dat je elkaar aankijkt en gewoon de waarheid zegt. Ook als die de een of de ander niet welgevallig is.

Ik heb daar zelf geen problemen mee. Ik ben van nature niet van het conflicten vermijden. Ik ga er vol en frontaal in. Confrontaties? Kom maar op!  Zeker nu. Met de kerstvakantie in zicht, is de huid enigszins dun. Met genoegen leg ik de vinger op de zere plek. En met nog meer genoegen leg ik 'm bloot. Uiteindelijk is dat namelijk altijd beter voor iedereen. Als je een genadeloze analyse van mijn kant wilt? Vraag er nu om, dit is het moment!

Dat ik zo in elkaar zit, is zelfs aan mijn hand af te lezen. Dat weet ik, omdat mijn dochter voor Sinterklaas een cd-rom kreeg met onder andere aanwijzingen voor handlezen. Sindsdien weet ik dat ik een vloeiende hartlijn heb. En als je die hebt, dan ga je problemen niet uit de weg. Je bent niet bang om je eigen mening te geven en je staat stevig in je schoenen. En natuurlijk: het zal ook wel iets met mijn karakter te maken hebben. Op dagen als vandaag geldt voor mij:

woensdag 10 december 2008

Woonwalhalla

Een kleurrijke medelander rijdt tegen de stroom in. Hij zit op een scootmobiel. Op zijn hoofd prijkt een wit-paars mutsje met ingewikkelde breipatronen. Hij rijdt met één hand, want in de andere hand houdt hij een beker koffie. Het is duidelijk: hij komt van de opening van het nieuwe Praxis-pand. Dat is vandaag namelijk geopend.

Aan de rand van onze woonplaats verrijst een nieuw bedrijventerrein. Twee weken geleden opende de Gamma daar de deuren al. Vandaag is het de beurt aan de Praxis er tegenover. Het zijn de eerste panden, maar er zullen nog veel volgen. Een heuse meubel- en klusboulevard moet het eindresultaat zijn. De wegen op het bedrijventerrein zijn niet erg breed. Vandaar dat de tegen-het-verkeer-inrij-actie van de man best gevaarlijk is. Zo'n opening maakt iedereen nou eenmaal een beetje wild. En dat combineert niet goed met smalle wegen.

Ik ga naar de Praxis om nieuwe plintjes voor het laminaat te kopen. Ik heb er nou een aantal vervangen en dat ziet er zoveel beter uit, dat ik de andere ook nog wil vervangen. Ik vond een bijpassende kleur bij de Praxis, dus vandaar mijn tocht naar het nieuwe bedrijventerrein. In de hal galmt het dat het een lieve lust is. Er loopt een clown rond die ballonfiguren maakt. Ook loopt er een man in een zilveren pak. Wat zijn functie in het geheel is, wordt niet duidelijk. Iedereen is duidelijk opgewonden.

In de oude Praxis wist ik precies waar ik moest zijn, maar nu is het even zoeken. Ik vind ze uiteindelijk, maar ik ga direct weer weg. Zoveel publiek en gezelligheid is mij teveel. Het is me er te druk. De opgewonden kassières mogen iedereen een bloemetje aanbieden. Ik neem de witte kerstster mee, het gouden potje laat ik -kieskeurig als ik ben- mooi staan. Ook krijg ik nog een timmermanspotlood en een tegoedbon voor oliebollen.

Ik breng de plintjes naar de auto en loop vervolgens naar de Gamma, waar het nu een oase van rust is. Twee weken geleden was het daar een gekkenhuis. Niet dat ik er zelf geweest ben, dat niet. Maar onze oudste vertelde -hun school ligt aan de andere kant van de weg- dat hele groepen scholieren tussen de middag snel even naar de Gamma gingen. De ene middag was er popcorn, een andere keer poffertjes. Allemaal gratis. Daar kan geen schoolkantine tegenop. Op mijn gemak zoek ik nog een latje met de juiste maat. De man bij de Gamma heeft alle tijd en helpt me even. Ik ben niet helemaal de enige in de grote hal, maar het leeuwendeel van de klandizie is toch bij de overburen. Ik reken af en rij het terrein weer af. Nu is het nog kaal, maar in de toekomst... Ik kan het me al helemaal voorstellen: het wordt een waar woonwalhalla.

dinsdag 9 december 2008

Wotterkolle

Het is koud buiten. Als de temperaturen dalen, leef ik doorgaans op. Lekker, vind ik dat. Ik ben dol op knisperend koud weer. Ook al zie je er vaak niet uit. Het haar is statisch. En als het echt koud is, krijg ik rode vlekken in het gezicht. Maar toch: heerlijk. Als het een beetje gaat vriezen is het helemaal lekker. Daar verheug ik me op. Droge wegen van de kou. Of eventueel met sneeuw, maar dan krakende sneeuw, die blijft liggen.

Nu is het koud, maar het is een beetje kleffig. Zo van achter het raam lijkt het prachtig. Vanmiddag kijk ik uit het raam naar de neerdwarrelende witte fijne sneeuw. De bossen op het terrein waar ik werk, zien eruit alsof ze met poedersuiker zijn bestoven. Maar als ik buiten kom, is die witte pracht alweer verworden tot een bruine derrie. Het is een natte, kleffe bedoening. "Het dooit als een gek", zegt een oud-collega die nog even langskomt. Het is wachten op de vorst, op de lekkere kou. Nu is het ook koud. Niet echt in graden Celsius, maar het voelt wel heel koud aan. Wotterkolle zeg je dan in het Gronings. Het is de kou die aan regen voorafgaat of die je hebt als het regent. Het is geen vrieskou. Toch ben ik koud. Thuis hul ik me snel in een fleecevest. Ik gooi twee pittenzakjes in de magnetron om mijn voeten te warmen.

Boven liggen nog vijf truien die ik in de vorige eeuw breide. Ze zijn allang verbannen uit de kledingkast. Eerst had ik een hele doos vol. Ze hebben jarenlang in die doos op zolder gestaan, met daarop geschreven TRUIEN. Na een heftige selectie zijn er nu nog vijf over. Drie van schapenwol en twee van gekleurd sokkenwol. Die van schapenwol zijn echt lekker warm. Er zijn een grove donkerbruine en een fijne witte van mij bij en een grijze van E.. De witte heeft boorden en een col met kabels erin. Die grovere ruiken na al die jaren nog een beetje naar schaap. Te gek toch; van welk ander geurtje kun je zeggen dat het twintig jaar blijft hangen? Die van sokkenwol -van E.- kan ik niet weggooien, omdat ik me er lens op geprikt heb. We hebben ze de laatste twintig jaar niet gedragen. Ze zijn gewoon veel te warm. Voordat we ze aan kunnen is er meer dan wotterkolle alleen nodig. Dan hebben we een poolwinter nodig. Of het er nog van gaat komen? Ik betwijfel het, maar vooralsnog neem ik het zekere voor het onzekere.

maandag 8 december 2008

Ruim baan voor het donker!

Vrijdagavond reden we naar mijn ouders. Na een kilometer of tien rijden, verlieten we de bebouwde kom. En toen was het donker. Echt donker. Geen lantaarnpalen, geen huizen met verlichting, geen maan, alleen wij, de autolampen en het donker. We vallen even stil als we zo het donker inrijden. "Het is hier echt donker", zeg ik. "Dat heb je bij ons eigenlijk niet." Onze woonplaats ligt in een verstedelijkt gebied. Bovendien hebben we hier een aantal kassencomplexen. Daar gaat het licht nooit uit. En alhoewel daar ook voorschriften voor zijn, kleurt de lucht regelmatig oranje. Dat is het licht dat via het dak ontsnapt, want de zijwanden moeten worden afgedicht.

De eerste keer dat ik die oranje lucht zag, dacht ik aan een grote brand. Inmiddels weet ik beter. Zo donker als het onderweg naar mijn ouders is, is het bij ons nooit. En dan is het donker onderweg naar mijn ouders nog heel betrekkelijk. We rijden hooguit twee kilometer in het donker. Dan komen we toch weer een verlicht kruispunt tegen, even later gevolgd door de brug. Echt donker is het niet meer in Nederland. Ook dat is een vorm van vervuiling.

Omdat het nooit meer ergens donker is, gaan mensen zich op den duur ongemakkelijk voelen in het donker. Of ze worden ronduit bang in het donker. Jammer eigenlijk. Van het donker gaat heel veel rust uit. Ik ben dol op licht in huis, maar 's nachts mag het van mij allemaal uit. Ruim baan voor het donker!