Zo nu en dan overkomt het je. Dan tref je iemand die in gesprek gaat met je boezem. Laatst had ik een gesprek met zo'n boezemstaarder. Af en toe zwommen zijn ogen even richting mijn gezicht om dan snel weer vaste grond te vinden op mijn boezem. Het is niet voor het eerst dat zoiets gebeurt, maar het blijft een vreemde gewaarwording. Mijn boezem zat keurig verpakt in een decent bloesje. Absoluut geen aanzet of glimp van een boezemspleet te bekennen. Want dat vraag je je als vrouw dan namelijk onmiddellijk af: heb ik ze teveel in de aanbieding? Maar dat was die dag niet het geval. Ze zaten namelijk evenmin in een strakke verpakking.
Eén van onze oude bazen liep met een knipsel op zak, waarin stond dat boezemstaren gezond was. Het zou levensverlengend werken. Op internet vind ik het knipsel terug. Duitse onderzoekers vonden een fantastisch alibi om langdurig op de boezem te fixeren: ze verhieven het tot onderzoek. En de resultaten waren opmerkelijk. Tien minuten boezemstaren is net zo gezond als een half uur gymmen, aldus de onderzoekers. Mijn gesprekspartner had na ons gesprekje zeker anderhalf uur gym achter de kiezen. Notoire boezemstaarders zouden zelfs vier tot vijf jaar langer leven. "Seksuele opwinding doet het hart kloppen en verbetert de bloedcirculatie. Het staat vast dat dit een gezonde activiteit is." aldus de onderzoekster. Het onderzoek dateert van een aantal jaren geleden. De oude baas is inmiddels twee jaar vertrokken en hij droeg het artikel al bij zich.
Geruststellend aan zo'n onderzoek is dat ik nu weet dat er inderdaad geen aanleiding hoeft te zijn. Je hebt blijkbaar notoire boezemstaarders. Het maakt niet uit wat je draagt: een hooggesloten bloesje, een wijd shirt of een laag uitgesneden t-shirt, het maakt niet uit. Het simpele feit dat je een boezem hebt, is voldoende.
maandag 19 januari 2009
In gesprek met de boezem
zondag 18 januari 2009
Shitlandpony
Onze jongste noemde Shetlandpony's vroeger Shitlandpony's. Dat vonden haar broer en zus natuurlijk erg leuk, dus die praten nu nog steeds over Shitlandpony's. Nou zou je misschien denken: hoe vaak wordt er over Shetlandpony's gepraat bij jullie thuis? Nou best veel eigenlijk, er hoeft praktisch geen of slechts een hele kleine aanleiding te zijn om het er even over te hebben. Zo valt ook vanavond het woord Shitlandpony weer aan tafel. Het is nog steeds leuk. De jongste reageert direct. "Maar zo heten ze echt hoor. Zo spreek je het uit." Ze steekt een hele verhandeling af. "Ik heb het zelf gevraagd." Ze heeft een klasgenootje die veel over paarden weet gevraagd. En dat bood volgens haar uitsluitsel. We zijn allemaal enigszins in verwarring. E. en ik begrijpen uit haar relaas dat ze weet dat je eigenlijk Shetlandpony's moet zeggen, maar haar broer en zus begrijpen iets anders. En zij hebben gelijk. Want volgens onze jongste is door een deskundige bevestigd dat de officiële term Shitlandpony's is. "En zij zal het heus wel weten", zegt ze. "Ze heeft vijftien diploma's voor paardrijden." "Nou", zegt onze zoon. "Dan heeft ze er niet veel verstand van." Het is volstrekt duidelijk: dit is niet de laatste keer dat we het over Shit- of Shetlandpony's hebben gehad.
zaterdag 17 januari 2009
Licht aan
Mijn moeder groeide op in een gezin waar altijd honden waren. Haar vader kreeg vaak honden waar niets mee te beginnen viel, afgekeurd politiehonden en dergelijke. Die richtte hij dan af. Ik herinner me natuurlijk alleen de laatste hond nog: Trix, een hele lieve hond. Maar aan Trix ging een hele serie honden vooraf. Het waren altijd grote honden: Deense doggen, herders. Als jong meisje is mijn moeder ook wel gebeten door die honden. Nieuwsgierig als ze was naar zo'n nieuwe hond, ging ze dan in de schuur kijken. Medelijden had haar vader niet als ze werd gebeten: ze had beter moeten weten dan een vreemde hond aan te raken.
Een paar huizen verderop bij mijn opa en oma woonden zijn broer met zijn vrouw. Ik herinner het me niet, maar ik ken de verhalen. De broer van mijn opa was net als hij een stille man. Maar daar hield alle gelijkenis dan ook wel op. Samen met zijn keurige vrouw kreeg hij een keurig kind. Bij mijn opa en oma was het een vrijgevochten bende met zeven kinderen. De broer van mijn opa had net als opa ook altijd een hond. Maar daar hield dan ook de gelijkenis weer op. Terwijl mijn opa grote honden had met een voorgeschiedenis, had zijn broer keurig gekamde schoothondjes.
Een verhaal dat graag verteld werd in de familie ging over het hondje van mijn opa's broer. Op een avond waren opa en oma op visite bij zijn broer. Het hondje was er natuurlijk ook. Het was een keffertje. Niet echt mijn opa's type hondje. Het keffertje deed zijn naam eer aan: het kefte aan de lopende band. "Ach", zei de vrouw des huizes, "hai wil t licht aan hebben". Dus ging het licht aan. Aan het keffen kwam natuurlijk geen einde. "Volgens mie wil e t nou weer oet hebben", zei mijn opa op een gegeven moment.
Een paar huizen verderop bij mijn opa en oma woonden zijn broer met zijn vrouw. Ik herinner het me niet, maar ik ken de verhalen. De broer van mijn opa was net als hij een stille man. Maar daar hield alle gelijkenis dan ook wel op. Samen met zijn keurige vrouw kreeg hij een keurig kind. Bij mijn opa en oma was het een vrijgevochten bende met zeven kinderen. De broer van mijn opa had net als opa ook altijd een hond. Maar daar hield dan ook de gelijkenis weer op. Terwijl mijn opa grote honden had met een voorgeschiedenis, had zijn broer keurig gekamde schoothondjes.
Een verhaal dat graag verteld werd in de familie ging over het hondje van mijn opa's broer. Op een avond waren opa en oma op visite bij zijn broer. Het hondje was er natuurlijk ook. Het was een keffertje. Niet echt mijn opa's type hondje. Het keffertje deed zijn naam eer aan: het kefte aan de lopende band. "Ach", zei de vrouw des huizes, "hai wil t licht aan hebben". Dus ging het licht aan. Aan het keffen kwam natuurlijk geen einde. "Volgens mie wil e t nou weer oet hebben", zei mijn opa op een gegeven moment.
Rode lopers en borsthaar
Trendwatchers zoals Lideweij Edelkoort of Adjiedj Bakas, zien trends ver van tevoren aankomen. Zo zit het bij mij niet helemaal. Maar ik zie ook wel eens wat. Over sommige dingen struikel ik gewoon, en andere merk ik op. Twee trends die ik wil delen: de rode loper en de terugkeer van het borsthaar.
- Ze duiken overal op: rode lopers. In de kerstvakantie liepen we in de stad. En daar lagen ze: meterslang. Vastgezet met schroeven tussen de tegels. En ook in ons winkelcentrum liggen er rode lopers voor de ruiten van de Hema langs. Naief als ik ben, dacht ik dat die rode lopers waren om te voorkomen dat je op de gladde stenen zou uitglijden. Vooral in de stad is gekozen voor een steen zonder profiel. En bij nat weer is dat glad. Niet voor niets zong De Bende een aantal jaren geleden toen de koningin naar de stad kwam: "Breek toch nait joen baintjes op die gladde gele staintjes". Dus vandaar die rode lopers dacht ik. Maar nee, mijn zus wist me te vertellen dat het niets te maken heeft met gladheid. Ze liggen er om te voorkomen dat er fietsen worden geplaatst.
- Een andere nieuwe trend: het borsthaar is terug. Nog niet zo lang geleden moest de bast compleet kaal zijn, vachtjes waren uit den boze. En nu zie je het ineens weer overal. Zo zie ik bij nadere bestudering van de Gillette reclame dat de torso van Thierry Henry gesierd wordt met een bescheiden afrovachtje. Daarvoor wordt het mes dus niet gehanteerd bij Henry. Bij Matthijs van Nieuwkerk groeit het borsthaar zelfs uit de bloes omhoog. En ook in allerlei bedscènes in mijn favoriete series, zie ik dat de dames het hoofd weer op een behaarde borst te rusten leggen.
vrijdag 16 januari 2009
Meer, meer, meer
Ik ben verdiept in het boek Het pauperparadijs van Suzanna Jansen. Ze heeft er de voorgeschiedenis van haar familie -afkomstig uit Veenhuizen- in opgetekend. Generaal Van den Bosch stichtte een kolonie in eigen land voor bedelaars, landlopers en armlastigen. Met zijn Maatschappij van Weldadigheid, probeerde hij met strakke hand de armen in het gareel te krijgen. Een omstreden streven. Destijds werd het nog als een schande gezien om in te grijpen in dat wat God goeddunkte.
E. komt binnenlopen met de telefoon. "Oxam Novib", zegt hij. Aan de andere kant van de lijn steekt een jonge vrouw die op deze manier iets bijverdient, onmiddellijk van wal. Dat het zo erg is in Afrika met de honger. Dat ze dat echt niet langer aan kunnen zien. Dat er beslist ingegrepen moet worden. In hoog tempo doet ze haar verhaal. Ze leest het voor van een papiertje of een beeldscherm. Ik zeg niets tijdens het hele relaas, maar mijn ergernis bouwt zich langzaam op. Ik hoor haar langzaam uitrazen. Ze haalt diep adem en dan komt ze met haar vraag: ik ben al donateur van Oxam Novib, of ik niet partner wil worden. Zonder adem te halen gaat ze door: "Maar voor het partnerschap vragen we natuurlijk wel een hogere bijdrage." Ik laat even een stilte vallen. "Ik vind het zo wel goed", zeg ik. "Oh", reageert ze "nou dan bedankt voor uw tijd en nog een prettige dag."
Ik heb er een verschrikkelijke hekel aan. Je geeft iets- ik ben donateur zolang ik een inkomen heb- maar door iets te geven ben je ook direct een doelwit geworden. Een doelwit voor al dit soort acties. Ze moeten ergens beginnen, dus beginnen ze maar in het adressenbestand dat ze toch al hebben. Het irriteert me, omdat ze het zo brengen dat je eigenlijk geen nee kunt zeggen. Wil ik het op mijn geweten hebben dat al die Afrikanen sterven? Natuurlijk niet! Dus doneren, doneren, doneren. Het is de Maatschappij van Weldadigheid anno 2009. En het is nooit genoeg. Je zou zeggen dat je dit soort zaken in de 21ste eeuw toch anders zou moeten kunnen oplossen.
De telefoonterreur en de ladingen direct mail die goede doelen tegenwoordig ook hanteren, staan me tegen. Ooit vertelde mijn oom hoe hij daarmee omging. Na het zoveelste telefoontje 's avonds was hij het zat. "Even met mijn vrouw overleggen", zei hij, om vervolgens de hoorn naast zich neer te leggen en niet weer op te nemen. De verkoper aan de andere kant van de lijn is nog een tijd aan de lijn gebleven, maar op den duur was de boodschap wel duidelijk. "Ze bellen nooit meer", zei mijn oom zonder een spier te vertrekken.
E. komt binnenlopen met de telefoon. "Oxam Novib", zegt hij. Aan de andere kant van de lijn steekt een jonge vrouw die op deze manier iets bijverdient, onmiddellijk van wal. Dat het zo erg is in Afrika met de honger. Dat ze dat echt niet langer aan kunnen zien. Dat er beslist ingegrepen moet worden. In hoog tempo doet ze haar verhaal. Ze leest het voor van een papiertje of een beeldscherm. Ik zeg niets tijdens het hele relaas, maar mijn ergernis bouwt zich langzaam op. Ik hoor haar langzaam uitrazen. Ze haalt diep adem en dan komt ze met haar vraag: ik ben al donateur van Oxam Novib, of ik niet partner wil worden. Zonder adem te halen gaat ze door: "Maar voor het partnerschap vragen we natuurlijk wel een hogere bijdrage." Ik laat even een stilte vallen. "Ik vind het zo wel goed", zeg ik. "Oh", reageert ze "nou dan bedankt voor uw tijd en nog een prettige dag."
Ik heb er een verschrikkelijke hekel aan. Je geeft iets- ik ben donateur zolang ik een inkomen heb- maar door iets te geven ben je ook direct een doelwit geworden. Een doelwit voor al dit soort acties. Ze moeten ergens beginnen, dus beginnen ze maar in het adressenbestand dat ze toch al hebben. Het irriteert me, omdat ze het zo brengen dat je eigenlijk geen nee kunt zeggen. Wil ik het op mijn geweten hebben dat al die Afrikanen sterven? Natuurlijk niet! Dus doneren, doneren, doneren. Het is de Maatschappij van Weldadigheid anno 2009. En het is nooit genoeg. Je zou zeggen dat je dit soort zaken in de 21ste eeuw toch anders zou moeten kunnen oplossen.
De telefoonterreur en de ladingen direct mail die goede doelen tegenwoordig ook hanteren, staan me tegen. Ooit vertelde mijn oom hoe hij daarmee omging. Na het zoveelste telefoontje 's avonds was hij het zat. "Even met mijn vrouw overleggen", zei hij, om vervolgens de hoorn naast zich neer te leggen en niet weer op te nemen. De verkoper aan de andere kant van de lijn is nog een tijd aan de lijn gebleven, maar op den duur was de boodschap wel duidelijk. "Ze bellen nooit meer", zei mijn oom zonder een spier te vertrekken.
donderdag 15 januari 2009
Eerder Spiek aan diek dan Shanghai
We hebben het over verhuizen. Onze zoon kijkt op Funda naar huizen. Een vriendje vertelde vandaag dat hij gaat verhuizen. Zelf zijn we er niet echt voor in, dat niet. Maar stel dat, waar zouden we dan heen gaan? "Zouden jullie hier blijven en dan een eindje verderop gaan wonen?", vraagt onze zoon. "Nee, dat denk ik niet", zeg ik. "Als we hier willen wonen, woon ik het liefst in dit huis." Niet dat er niets aan dit huis mankeert, maar het is onze plek hier. Daar is hij het volkomen mee eens.
Dan gaat de telefoon. De jongste neemt 'm aan. Ze kleurt licht als ze de hoorn aan E. overgeeft. "Het is een Chinees die Engels praat", zegt ze. Het lijkt ons onwaarschijnlijk. E. pakt de hoorn en luistert naar de woordenstroom. Hij reageert inderdaad in het Engels. Hij houdt het netjes af en loopt met de telefoon de kamer uit. Wij kijken hem vragend aan. Even later komt hij weer binnen. "Ze gaan een Business Park in Shanghai bouwen", vertelt hij. "Het is helemaal op design gericht. En ze vroegen of ik geïnteresseerd was."
Onze zoon pakt de draad van het gesprek gewoon weer op. "Waar zou jij willen wonen als je hier niet woonde?", vraagt hij aan E. "Shanghai?", vraag ik. Maar nee, dat toch maar niet. "Ergens aan zee.", zegt E. "In Noord-Holland?", vraag ik. "Neuh", zegt E. "Spiek aan diek of Termunterziel."
Dan gaat de telefoon. De jongste neemt 'm aan. Ze kleurt licht als ze de hoorn aan E. overgeeft. "Het is een Chinees die Engels praat", zegt ze. Het lijkt ons onwaarschijnlijk. E. pakt de hoorn en luistert naar de woordenstroom. Hij reageert inderdaad in het Engels. Hij houdt het netjes af en loopt met de telefoon de kamer uit. Wij kijken hem vragend aan. Even later komt hij weer binnen. "Ze gaan een Business Park in Shanghai bouwen", vertelt hij. "Het is helemaal op design gericht. En ze vroegen of ik geïnteresseerd was."
Onze zoon pakt de draad van het gesprek gewoon weer op. "Waar zou jij willen wonen als je hier niet woonde?", vraagt hij aan E. "Shanghai?", vraag ik. Maar nee, dat toch maar niet. "Ergens aan zee.", zegt E. "In Noord-Holland?", vraag ik. "Neuh", zegt E. "Spiek aan diek of Termunterziel."
woensdag 14 januari 2009
Ja mem, met mij
Het is alweer jaren geleden dat ik voor mijn werk moest verkassen. Het gebouw waarin ik mijn kantoor had, werd gerenoveerd. Met een aantal andere medewerkers die in hetzelfde schuitje zaten, werden we geplaatst in een nabijgelegen gebouwtje. Een grote ruimte in dat gebouw werd omgetoverd tot een soort kantoortuin. Vijf vrouwen namen er hun intrek. Vier jonge vrouwen en een vrouw van middelbare leeftijd. We hebben er de tijd van ons leven gehad. En al met al werd het een grensverleggende ervaring.
De grenzen werden verlegd door met name onze oudere collega. Zij had een volstrekt andere kijk op de wereld. Natuurlijk omdat ze ouder was, maar dat was het niet alleen. Ze was dol op Amerika en Amerikanen. Daar kon ze totaal geen kritiek op verdragen. Helden, waren het, stuk voor stuk. Ook shockeerde ze ons met het verhaal dat ze haar dochter voor haar achttiende verjaardag een 'nosejob', een cosmetische neuscorrectie, had aangeboden. Haar dochter had het afgewezen. Voor ons was dit een nieuwe invalshoek. Onze moeders vonden ons stuk voor stuk beeldschoon zoals we waren.
Ze had zo haar eigen rituelen rondom het werk, onze oudere collega. Naast de grote ruimte die we met zijn vijven deelden, had ze nog een riante ruimte voor zichzelf geclaimd. Daar wijdde ze zich aan haar heilige taak: het uitwerken van notulen. Iedere poging van anderen die geen onderdak hadden om een claim te leggen op die ruimte, werd genadeloos gepareerd. Zij had recht op een stille ruimte om zich aan haar taak te wijden. Anno 2009 zouden we niet onder de indruk zijn van haar workload. Maar eerlijk gezegd, was ik dat toen ook al niet. Het kon destijds allemaal. Als een brief vandaag niet verstuurd werd, dan kon het morgen nog wel en anders volgende week.
Als je met zijn vijven zo boven op elkaar zit, krijg je veel mee van elkaars dagelijkse gewoonten. Voor een bepaalde vergadering maakte ze zich altijd even netjes op. "Voor wie maak je je zo mooi?", vroegen wij dan. Uiteindelijk verklapte ze dat het voor een manager psychiater was. "Zo charmant hè?", zei ze dan. Ook belde ze altijd onder werktijd met haar moeder. En ze beknibbelde beslist niet op aandacht voor haar moeder. Het waren lange telefoongesprekken die altijd begonnen met de tekst: "Ja mem, met mij." Dat de baas voor de kosten opdraaide was niet iets waar ze mee kon zitten. Ik vond het opmerkelijk. Ze werkte namelijk niet full time en buiten het werk hou je dan nog genoeg tijd over om je privézaken af te handelen.
We zijn goed door deze periode heen gekomen. De enige twee die nog over zijn van het clubje van vijf van destijds zijn boezemvriendin en ik. De anderen zijn naar elders vertrokken of met pensioen gegaan. Ik heb nog wel iets in ere gehouden uit die periode. Nog regelmatig zeg ik als ik mijn moeder bel: "Ja mem, met mij". Maar ik bel dan wel in eigen tijd.
De grenzen werden verlegd door met name onze oudere collega. Zij had een volstrekt andere kijk op de wereld. Natuurlijk omdat ze ouder was, maar dat was het niet alleen. Ze was dol op Amerika en Amerikanen. Daar kon ze totaal geen kritiek op verdragen. Helden, waren het, stuk voor stuk. Ook shockeerde ze ons met het verhaal dat ze haar dochter voor haar achttiende verjaardag een 'nosejob', een cosmetische neuscorrectie, had aangeboden. Haar dochter had het afgewezen. Voor ons was dit een nieuwe invalshoek. Onze moeders vonden ons stuk voor stuk beeldschoon zoals we waren.
Ze had zo haar eigen rituelen rondom het werk, onze oudere collega. Naast de grote ruimte die we met zijn vijven deelden, had ze nog een riante ruimte voor zichzelf geclaimd. Daar wijdde ze zich aan haar heilige taak: het uitwerken van notulen. Iedere poging van anderen die geen onderdak hadden om een claim te leggen op die ruimte, werd genadeloos gepareerd. Zij had recht op een stille ruimte om zich aan haar taak te wijden. Anno 2009 zouden we niet onder de indruk zijn van haar workload. Maar eerlijk gezegd, was ik dat toen ook al niet. Het kon destijds allemaal. Als een brief vandaag niet verstuurd werd, dan kon het morgen nog wel en anders volgende week.
Als je met zijn vijven zo boven op elkaar zit, krijg je veel mee van elkaars dagelijkse gewoonten. Voor een bepaalde vergadering maakte ze zich altijd even netjes op. "Voor wie maak je je zo mooi?", vroegen wij dan. Uiteindelijk verklapte ze dat het voor een manager psychiater was. "Zo charmant hè?", zei ze dan. Ook belde ze altijd onder werktijd met haar moeder. En ze beknibbelde beslist niet op aandacht voor haar moeder. Het waren lange telefoongesprekken die altijd begonnen met de tekst: "Ja mem, met mij." Dat de baas voor de kosten opdraaide was niet iets waar ze mee kon zitten. Ik vond het opmerkelijk. Ze werkte namelijk niet full time en buiten het werk hou je dan nog genoeg tijd over om je privézaken af te handelen.
We zijn goed door deze periode heen gekomen. De enige twee die nog over zijn van het clubje van vijf van destijds zijn boezemvriendin en ik. De anderen zijn naar elders vertrokken of met pensioen gegaan. Ik heb nog wel iets in ere gehouden uit die periode. Nog regelmatig zeg ik als ik mijn moeder bel: "Ja mem, met mij". Maar ik bel dan wel in eigen tijd.
Abonneren op:
Posts (Atom)